Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2775

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
13/5181 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/5181 WWB, 13/5182 WWB

Datum uitspraak: 21 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 augustus 2013, 13/1137 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[woonplaats] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. T.M. van Angeren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 27 augustus 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant oud ijzer ophaalt en wegbrengt bij [naam bedrijf] ([bedrijf]), heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente [woonplaats] een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, is appellant zowel op 31 oktober 2012 als op 19 november 2012 gehoord en heeft een gesprek plaatsgevonden met de directeur van [bedrijf]. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 november 2012.

1.3.

Bij besluit van 22 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 februari 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van

1 augustus 2010 ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant inkomsten uit de verkoop van oud ijzer heeft genoten. Appellanten hebben hun inlichtingenverplichting geschonden door dat niet te melden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij betwisten - verkort weergegeven - de inlichtingenverplichting te hebben geschonden. Appellant heeft onder zware druk een onjuiste verklaring afgelegd. Aan die verklaring kan gelet op de psychische problematiek van appellant geen waarde worden toegekend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 augustus 2010 tot en met 22 november 2012.

4.2.

Appellant heeft zowel op 31 oktober 2012 als op 19 november 2012 tegenover een handhavingsspecialist van de DWI verklaard dat hij twee jaar lang oud ijzer heeft verkocht aan [bedrijf], dat hij gemiddeld € 70,- per maand heeft verdiend en dat hij daarmee is gestopt.

4.3.

Anders dan appellanten hebben betoogd, bestaat geen aanleiding appellant niet te houden aan deze verklaringen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn verklaringen onder zware druk heeft afgelegd. Appellant heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn psychische klachten niet naar waarheid heeft verklaard. De stukken bieden geen enkel aanknopingspunt voor het standpunt van appellanten dat de door appellant afgelegde verklaringen niet op waarheid berusten. Het tegendeel is het geval, nu de verklaringen van appellant steun vinden in de verklaring van de directeur van [bedrijf].

4.4.

Appellanten hebben de door appellant verrichte werkzaamheden en de daaruit genoten inkomsten niet gemeld. Daarmee hebben zij hun inlichtingenverplichting geschonden.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2015.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) E. Heemsbergen

HD