Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
15/3598 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Het college heeft het bezwaarschrift van verzoeker op 13 februari 2015 ontvangen, dus buiten de in artikel 6:7 van de Awb bepaalde termijn, zodat het te laat is ingediend. Het had op de weg van verzoeker gelegen om tijdens zijn opname voor (adequate) behartiging van zijn postzaken zorg te dragen. Dat hij dit niet heeft gedaan komt voor zijn rekening en risico. Dat hij hiertoe niet in staat zou zijn geweest is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3598 WWB, 15/3599 WWB-VV

Datum uitspraak: 14 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 7 april 2015, 15/1071, 15/1815 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 19 mei 2015.

Partijen:

S.N. Arthur te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. S.L. Soedamah, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2015. Voor verzoeker is verschenen mr. Soedamah. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter van de Raad (voorzieningenrechter) gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker heeft op 20 oktober 2014 een aanvraag ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Verzoeker staat ingeschreven op het adres [Adres A] te [woonplaats]. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 27 november 2014 afgewezen op de grond dat verzoeker niet aan de ingevolge artikel 17 van de WWB op hem rustende medewerkingsverplichting heeft voldaan. Verzoeker is diverse keren niet op oproepen verschenen waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.2.

Bij brief van 13 februari 2015 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het besluit van

27 november 2014.

1.3.

Bij besluit van 13 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 november 2014 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat verzoeker de bezwaartermijn ongebruikt heeft laten verstrijken en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Verzoeker heeft hiertoe primair aangevoerd dat hij het besluit van 27 november 2014 niet heeft ontvangen en subsidiair dat indien van een juiste bekendmaking van dit besluit uitgegaan moet worden, sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Verzoeker heeft hiertoe een brief van het Justitieel Medisch Centrum overgelegd, waaruit blijkt dat appellant daar gedurende de periode van 18 november 2014 tot 16 januari 2015 opgenomen was. Op grond hiervan was verzoeker buiten staat tijdig bezwaar te maken.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.5.

Ter zitting is vastgesteld dat tussen partijen de verzending van het besluit van

27 november 2012 niet meer in geschil is.

4.6.

Het college heeft het besluit van 27 november 2012 verzonden naar het door verzoeker opgegeven uitkeringsadres [Adres A] te [woonplaats]. Uit de gedingstukken blijkt niet dat verzoeker het college op de hoogte heeft gesteld van zijn opname in het Justitieel Medisch Centrum. Nu het besluit van 27 november 2012 is voorzien van het laatst bekende uitkeringsadres van verzoeker en op die dag naar dat adres is verzonden, is de termijn om bezwaar te maken tegen dat besluit aangevangen op 28 november 2014. Het college heeft het bezwaarschrift van verzoeker op 13 februari 2015 ontvangen, dus buiten de in artikel 6:7 van de Awb bepaalde termijn, zodat het te laat is ingediend.

4.7.

In wat verzoeker heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest als bedoeld in

artikel 6:11 van de Awb. Het had op de weg van verzoeker gelegen om tijdens zijn opname voor (adequate) behartiging van zijn postzaken zorg te dragen. Dat hij dit niet heeft gedaan komt voor zijn rekening en risico. Dat hij hiertoe niet in staat zou zijn geweest is niet gebleken.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.9.

Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) R.G. van den Berg

HD