Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2771

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
14/2823 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:2772, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel. Verlaging bijstand met 100%. Appellant heeft door zijn gedrag zijn arbeidsinschakeling belemmerd. Niet kan worden gezegd dat aan de gedragingen elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2823 WWB

Datum uitspraak: 18 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

17 april 2014, 13/5985 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kuijer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kuijer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.W. Wieringa en S.M.P. Geers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 20 februari 2012 bijstand, ten tijde in geding op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 16 augustus 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 november 2012, heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant verlaagd met 100% gedurende één maand. Aan de maatregel heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant door zijn houding en gedrag tijdens een bijeenkomst en de sollicitatiegesprekken voor het werkleertraject als verkeersbegeleider niet is aangenomen door het betreffende bedrijf. Appellant heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 12 november 2012.

1.3.

Bij brief van 26 februari 2013 heeft [naam consulent], re-integratieconsulent van de afdeling Publiekszaken van de gemeente Barendrecht (consulent), appellant na een goed doorlopen selectiebijeenkomst uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek op 4 maart 2013 voor de functie van medewerker groenvoorziening. Na dit gesprek heeft de consulent appellant uitgenodigd voor een laatste bijeenkomst met de werkgever op 14 maart 2013. In de uitnodiging staat vermeld dat de insteek van deze bijeenkomst is dat de benodigde documenten voor een dienstverband bij AanBouw voor de duur van zeven maanden in orde worden gemaakt. Tijdens deze bijeenkomst heeft de werkgever appellant geen dienstverband aangeboden. Per e-mailbericht van 4 april 2013 heeft [naam arbeidsmakelaar], arbeidsmakelaar van de afdeling Publiekszaken van de gemeente Barendrecht (arbeidsmakelaar), aan de consulent meegedeeld dat appellant tijdens de bijeenkomst op

14 maart 2013 een passieve houding - enigszins onderuit gezakt en achterover geleund gezeten - heeft laten zien en op de vraag van de werkgever of hij de werkzaamheden zag zitten heeft geantwoord: “tja, niet echt” en dat het gevolg hiervan is geweest dat de werkgever heeft aangegeven dat hij appellant niet binnen zijn bedrijf aan het werk wil hebben. Voorts is in dit e-mailbericht vermeld dat de andere aanwezigen bij de bijeenkomst op 14 maart 2013 allen een arbeidsovereenkomst hebben getekend en op 1 april 2013 aan de slag zijn gegaan.

1.4.

Bij besluit van 9 april 2013 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant verlaagd met 100% over de periode van 1 april 2013 tot en met 31 mei 2013. Aan de maatregel heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zich niet gemotiveerd heeft getoond voor de functie van medewerker groenvoorziening, welke functie gericht was op uitstroom naar betaalde arbeid. De duur van de maatregel is verdubbeld, omdat sprake is van recidive.

1.5.

Per e-mailbericht van 26 april 2013 heeft de arbeidsmakelaar appellant uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek op 29 april 2013 voor de functie van productiemedewerker bij het bedrijf [naam bedrijf A]. Indien dit gesprek goed zou verlopen, kon worden gestart met een proefplaatsing van zes weken, waarna een uitzendovereenkomst zou worden aangeboden. De arbeidsmakelaar heeft daarbij medegedeeld dat de maatregel die op dat moment gold geen probleem vormde om verder te solliciteren. Naar aanleiding van het gesprek op 29 april 2013 is aan appellant geen proefplaatsing bij [naam bedrijf A] aangeboden. Uit het e-mailbericht van 8 mei 2013 van [naam B] (B) van het bedrijf [naam bedrijf B], de tussenpersoon met wie appellant op 29 april 2013 het sollicitatiegesprek heeft gevoerd, blijkt dat appellant tijdens dit gesprek dermate ongeïnteresseerd was dat hem daarom geen stage/proefplaatsing is aangeboden. Appellant had een onderuitgezakte houding en heeft over de aangeboden werkzaamheden opgemerkt dat het slavenarbeid is en dat hij zich te goed voelt voor dit werk.

1.6.

In zijn zienswijze in reactie op de voorgenomen maatregel naar aanleiding van het gedrag van appellant tijdens het gesprek voor de functie bij [naam bedrijf A] heeft appellant onder meer verklaard dat hij tijdens dit gesprek werk heeft geweigerd, omdat zijn uitkering al was gestopt. Hij zou daar dus moeten gaan werken terwijl er geen inkomsten tegenover stonden.

1.7.

Bij besluit van 22 mei 2013 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant verlaagd met 100% over de periode van 1 juni 2013 tot en met 30 november 2013. Aan deze maatregel heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zich niet geïnteresseerd en gemotiveerd heeft getoond voor de functie bij [naam bedrijf A], welke functie gericht was op uitstroom naar betaalde arbeid. Daarbij is sprake van recidive omdat appellant zich voor de derde maal heeft schuldig gemaakt aan dezelfde gedraging.

1.8.

Bij besluit van 21 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen het besluit van 9 april 2013 en het besluit van 22 mei 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant door zijn houding en gedrag tijdens de gesprekken voor de functie van medewerker groenvoorziening en voor de functie bij [naam bedrijf A] algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft aanvaard en de inschakeling in arbeid heeft belemmerd. Beide functies waren gericht op uitstroom naar betaalde arbeid. Niet gebleken is dat appellant zijn gedragingen tijdens de gesprekken niet kan worden verweten. Daarbij is sprake van herhaalde recidive.

1.9.

Bij besluit van 17 september 2013 heeft het college op grond van artikel 18, derde lid, van de WWB de bij besluit van 22 mei 2013 opgelegde maatregel heroverwogen en de duur daarvan beperkt tot de periode van 1 juni 2013 tot en met 31 juli 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij zeer gemotiveerd was om aan het werk te gaan. Dat appellant tijdens het gesprek op 14 maart 2013 enigszins onderuit gezakt en achterover leunend heeft gezeten, is geen gedraging om een maatregel van 100% gedurende twee maanden op te leggen. Ook tijdens het gesprek van 29 april 2013 was appellant zeer gemotiveerd om aan het werk te gaan. Hij betwist dat hij gemeld zou hebben dat het om slavenarbeid zou gaan en dat hij zich te goed zou voelen voor het aangeboden werk. Voorts heeft appellant een beroep gedaan op dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB. De Afstemmingsverordening WWB, IOAW, IOAZ, WIJ 2010 en de Afstemmingsverordening Uitkeringen 2013 Barendrecht-AR zijn de in artikel 18, tweede lid, bedoelde verordeningen (Afstemmingsverordeningen).

Maatregel 100% gedurende twee maanden

4.3.

Niet in geschil is - en de Raad gaat daar ook vanuit - dat tijdens het gesprek van 14 maart 2013 aan appellant geen baan als medewerker groenvoorziening is aangeboden, terwijl het de bedoeling was dat tijdens dit gesprek een arbeidsovereenkomst tot stand zou komen tussen de beoogde werkgever en appellant. Vaststaat verder dat dit gesprek voortijdig is beëindigd.

4.4.

De beroepsgrond van appellant dat hij zeer gemotiveerd was en bereid was alle werkzaamheden aan te pakken, vindt geen steun in de gedingstukken en slaagt dus niet. Uit het in 1.3 vermelde e‑mailbericht van de arbeidsmakelaar volgt niet alleen dat appellant tijdens dat gesprek enigszins onderuit gezakt heeft gezeten, maar ook dat hij zich in negatieve bewoordingen heeft uitgelaten over de aangeboden functie. Hij heeft desgevraagd verklaard de werkzaamheden niet echt te zien zitten. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant daaraan toegevoegd dat hij heeft gezegd dat hij het moeilijk vond om de hele dag te schoffelen. De werkgever heeft daarop besloten het gesprek met appellant voortijdig te beëindigen en geen arbeidsovereenkomst met hem te sluiten. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het gedrag van appellant ertoe heeft geleid dat hem geen functie is aangeboden. Hieruit volgt dat appellant door zijn gedrag zijn arbeidsinschakeling heeft belemmerd.

Maatregel 100% gedurende zes maanden

4.5.

Niet in geschil is dat appellant na een goed verlopen sollicitatiegesprek op 29 april 2013 zou kunnen starten met een proefplaatsing bij [naam bedrijf A] van zes weken en dat na die periode een uitzendovereenkomst zou worden aangeboden. Vaststaat dat appellant na het gesprek van 29 april 2013 niet de functie van productiemedewerker bij [naam bedrijf A] is aangeboden.

4.6.

De beroepsgrond van appellant dat hij ook ten aanzien van de werkzaamheden bij [naam bedrijf A] zeer gemotiveerd was om het werk te aanvaarden, slaagt evenmin. Anders dan appellant in hoger beroep stelt, is in de gedingstukken voldoende feitelijke grondslag voorhanden voor de conclusie van het college dat appellant zich tijdens het gesprek van

29 april 2013 in negatieve bewoordingen heeft uitgelaten over de functie van productiemedewerker bij [naam bedrijf A]. Uit het in 1.5 vermelde e‑mailbericht van B volgt dat appellant tijdens dat gesprek een onderuitgezakte houding had, dat hij heeft gezegd dat het om slavenarbeid ging en dat hij zich hiervoor niet wilde lenen. Appellant heeft dit ook bevestigd in zijn in 1.6 vermelde zienswijze, waarin hij heeft verklaard dat hij de werkzaamheden heeft geweigerd omdat hij daarvoor niet betaald zou krijgen. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant bovendien verklaard dat hij tijdens het gesprek over de aangeboden werkzaamheden heeft gezegd: “is dit moderne slavernij of zo”.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het gedrag van appellant ertoe heeft geleid dat hem geen functie is aangeboden. Dit betekent dat appellant door zijn gedrag zijn arbeidsinschakeling opnieuw heeft belemmerd.

4.8.

Gelet op 4.4 en 4.7 en in aanmerking genomen dat niet kan worden gezegd dat aan de gedragingen elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, was het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand te verlagen. Niet in geschil is dat de opgelegde maatregelen in overeenstemming zijn met de Afstemmingsverordeningen.

Dringende redenen

4.9.

In het kader van zijn beroep op dringende redenen om af te zien van het opleggen van een maatregel heeft appellant gewezen op zijn psychische en financiële problemen. In het bijzonder heeft appellant erop gewezen dat hij, nadat zijn bedrijf failliet was gegaan, met enorme schulden kampt, zijn woning heeft moeten verkopen en dat zijn relatie mede daardoor is beëindigd.

4.10.

Het college voert het beleid dat van dringende redenen om af te zien van het opleggen van een maatregel slechts sprake is als de maatregel tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. In de door appellant aangevoerde psychische en financiële problemen zijn geen dringende redenen gelegen om af te zien van het opleggen van een maatregel. Zijn faillissement, met alle gevolgen van dien, zijn geen gevolg van de opgelegde maatregel. Nu appellant verder niet heeft gesteld dat en om welke reden de opgelegde maatregelen voor hem tot onaanvaardbare gevolgen leiden, slaagt het beroep op dringende redenen niet.

4.11.

Uit 4.3 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C. Moustaïne

HD