Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2762

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
14/4236 WWIK
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk is geworden dat de brief van 2 april 2013 op regelmatige wijze is aangeboden op het adres van appellant. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. Vernietiging uitspraak en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/305

Uitspraak

14/4236 WWIK

Datum uitspraak: 21 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 juni 2014, 13/1012 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 9 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 februari 2013 (bestreden besluit), heeft het college een bedrag van € 4.503,- van appellant teruggevorderd in verband met ten onrechte betaalde uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant het griffierecht niet tijdig heeft betaald.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wijst de griffier de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mede dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van die mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank, dan wel ter griffie moet zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, is het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Op grond van artikel 12 van de Procesregeling bestuursrecht 2010 wordt de mededeling dat het griffierecht verschuldigd is per gewone post verstuurd en bij niet tijdige betaling wordt de mededeling aangetekend verstuurd.

4.2.

Op 1 maart 2013 heeft de rechtbank appellant een ontvangstbevestiging gestuurd met betrekking tot het door hem ingestelde beroep. Uit de bijlage bij die brief blijkt dat appellant een afzonderlijke brief over het verschuldigde griffierecht zal ontvangen, waarna hij binnen vier weken moet betalen. Dat deze brief verzonden is, blijkt niet uit de stukken. Bij de stukken bevindt zich wel een aangetekend verzonden brief van 2 april 2013. Daarin staat dat uit de administratie van de rechtbank blijkt dat appellant het griffierecht van € 44,- nog niet heeft voldaan en dat appellant dit bedrag alsnog binnen vier weken moet voldoen, omdat het beroep anders niet-ontvankelijk wordt verklaard.

4.3.

Op 11 september 2013 heeft de rechtbank het beroep inhoudelijk behandeld en het onderzoek gesloten. Daarbij is medegedeeld dat binnen zes weken nadat het onderzoek was gesloten uitspraak zou worden gedaan. Bij brief van 24 oktober 2013 heeft de rechtbank deze termijn met zes weken verlengd. Bij beslissing van 4 november 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, omdat na de sluiting van het onderzoek is geconstateerd dat het verschuldigde griffierecht niet is ontvangen. Appellant is daarbij in de gelegenheid gesteld bewijs over te leggen waaruit blijkt dat hij voor 1 mei 2013 het griffierecht heeft betaald. Appellant heeft hierop een schriftelijke reactie ingediend, waarna de zaak opnieuw is behandeld op een zitting van 2 mei 2014. De rechtbank heeft vervolgens bij de aangevallen uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

4.4.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de aangetekend verzonden brief van 2 april 2013 een barcode bevat, waarmee de zending is te volgen op www.tracktrace.nl. "Uit raadpleging van deze site is de rechtbank gebleken dat de brief voor de eerste maal is aangeboden op het adres van eiser (lees: appellant) op 4 april 2013. De zending is niet binnen drie weken afgehaald en vervolgens retour afzender gezonden, waar hij op 1 mei 2013 is bezorgd." Stelt de belanghebbende dat geen afhaalbericht is achtergelaten, dan ligt het, aldus de rechtbank, op zijn weg om feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Appellant is daarin volgens de rechtbank niet geslaagd.

4.5.

Uit vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2012:BX7658) - waarnaar ook de rechtbank heeft verwezen - volgt dat, indien een rechtens van belang zijnd document aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden nagegaan of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende dat geen afhaalbericht is ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat eerst moet worden vastgesteld of de brief van 2 april 2013 op regelmatige wijze is aangeboden. Bij de stukken bevindt zich geen uitdraai van de website tracktrace.nl, waaruit de aanbieding van de brief blijkt en dus ook niet dat er niemand thuis is aangetroffen en om die reden een afhaalbericht is achtergelaten. Dit volgt ook niet uit wat de rechtbank met betrekking tot de raadpleging van de website tracktrace.nl heeft overwogen. De rechtbank heeft op die site kennelijk gezien dat de brief op 4 april 2013 voor de eerste keer is aangeboden, maar niet dat daarbij niemand is aangetroffen en ook niet dat een afhaalbericht is achtergelaten. Uit wat de rechtbank heeft overwogen blijkt ook niet dat de brief daarna een tweede keer is aangeboden, met achterlating van een afhaalbericht. Een enveloppe waaruit zou kunnen worden afgeleid dat en wanneer de brief van 2 april 2013 voor een eerste of een tweede keer is aangeboden ontbreekt in de door de rechtbank aan de Raad gezonden stukken. Bij die stukken bevindt zich alleen een op 23 april 2014 bij de rechtbank retour ontvangen enveloppe, waarvan niet duidelijk is bij welke brief deze hoort en waarop een andere barcode staat dan op de aangetekend verzonden brief van 2 april 2013.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat niet aannemelijk is geworden dat de brief van 2 april 2013 op regelmatige wijze is aangebowden op het adres van appellant. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en de zaak terugverwijzen naar de rechtbank.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- wijst de zaak terug naar de rechtbank;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2015.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) E. Heemsbergen

HD