Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2754

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
14/2182 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist vastgesteld. Aanspraken op grond van de Wet WIA. Geen twijfel aan de juistheid van de FML. Geschiktheid voor de geselecteerde functies. Aanspraken op grond van de WAO. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag valt buiten de vijfjaarstermijn van de WAO, waardoor appellant geen aanspraak kan maken op heropening van de WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2182 WIA

Datum uitspraak: 14 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

6 maart 2014, 13/602 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. van der Wielen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P. Berkhoudt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving tot 1 maart 2005 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), in verband met psychische klachten. Per die datum werd appellant door het Uwv niet langer arbeidsongeschikt geacht.

1.2.

Tot 5 april 2010 ontving appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.3.

Met ingang van 5 april 2010 is appellant vrijwillig verzekerd voor de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.4.

Op 4 mei 2012 heeft appellant een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Wet WIA. Op deze aanvraag heeft appellant 27 augustus 2010 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag vermeld.

1.5.

Bij besluit van 4 december 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 24 augustus 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.6.

In bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv geconcludeerd dat de datum van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet 27 augustus 2010, maar 18 maart 2010 is, omdat appellant op die dag bij de huisarts is geweest en is doorverwezen naar de GGZ in verband met zijn psychische klachten. Er is sprake van toegenomen beperkingen voor het verrichten van arbeid die voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak die in het kader van de besluitvorming ingevolge de WAO is beoordeeld. Bij besluit van 23 april 2013 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 december 2012 ongegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat geen sprake kan zijn van heropening van de WAO-uitkering, omdat 18 maart 2010 langer dan vijf jaren na de datum ligt met ingang waarvan de WAO-uitkering is ingetrokken, en dat appellant op 18 maart 2010 nog niet vrijwillig verzekerd was voor de Wet WIA en daarom aan deze wet geen rechten kan ontlenen voor de arbeidsongeschiktheid ontstaan op 18 maart 2010.

1.7.

In beroep is bij besluit van 1 oktober 2013 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 december 2012 betreffende de beoordeling op grond van de Wet WIA wederom ongegrond verklaard op basis van een gewijzigde motivering. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat ten onrechte bij het bestreden besluit 1 is vastgesteld dat appellant op 18 maart 2010 niet verzekerd was voor de Wet WIA, nu is gebleken dat appellant tot

5 april 2010 WW-uitkering heeft ontvangen. Vervolgens heeft het Uwv, op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, vastgesteld dat voor appellant per

16 maart 2012 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35 % is.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dat ziet op het beroep tegen het bestreden besluit 1 voor zover het de aanspraak op een WIA-uitkering betreft, en voor het overige heeft zij het beroep tegen het bestreden besluit 1 alsmede het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Verder is bepaald dat het Uwv aan appellant het griffierecht en de proceskosten vergoedt.

2.1.

De rechtbank heeft over de aanvraag in het kader van de Wet WIA, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 1 juli 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:289) (lees: ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2486), geoordeeld dat het Uwv terecht 18 maart 2010 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft vastgesteld. Appellant heeft zijn stelling dat 18 maart 2010 door het Uwv ten onrechte als eerste arbeidsongeschiktheidsdag is genomen niet onderbouwd met medische stukken. Niet is gebleken dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat punt niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inconsistenties bevat, dan wel niet concludent is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de brief van de gezondheidszorgpsycholoog van

16 april 2013 heeft betrokken in zijn rapport.

2.2.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat appellants beroepsgrond dat zijn beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 april 2013 zijn onderschat faalt, nu appellant zijn stelling niet met medische gegevens heeft onderbouwd en niet is gebleken dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 september 2013 niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inconsistenties bevat of niet concludent is. Niet is aannemelijk gemaakt dat de geduide voorbeeldfuncties niet aansluiten bij de opgestelde FML. Het Uwv heeft daarom terecht vastgesteld dat voor appellant per 16 maart 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% is.

2.3.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat 18 maart 2010 als datum waarop appellants beperkingen in relevante mate zijn toegenomen, buiten de vijfjaarstermijn valt van artikel 43a van de WAO. Het Uwv heeft daarom terecht de

WAO-uitkering niet heropend.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Dit is niet onderkend door de rechtbank. Ten onrechte wordt niet uitgegaan van 27 augustus 2010 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Ter zitting heeft appellant gesteld dat van 27 augustus 2010, dan wel 2 februari 2009 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden uitgegaan. In verband met 27 augustus 2010 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag is het maatmanloon niet juist vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet onderkend, in tegenstelling tot de verzekeringsarts, dat appellant beperkt moet worden geacht op item 2.8 (omgaan met conflicten) in de FML. Dit heeft tot gevolg dat de door het Uwv geduide functie van portier niet geschikt is en appellant meer dan 35% arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op de aangevoerde gronden is appellant alleen in hoger beroep gekomen tegen de aangevallen uitspraak voor zover de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond zijn verklaard.

Eerste arbeidsongeschiktheidsdag

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv terecht 18 maart 2010 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 22 april 2013 uitvoerig en inzichtelijk gemotiveerd hoe hij tot 18 maart 2010 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gekomen. In hoger beroep in zijn rapport van

20 mei 2014 heeft deze arts dit nog eens nader toegelicht en is hij ingegaan op de argumenten van appellant die betrekking hebben op de zorgvuldigheid waarmee zijn rapport tot stand is gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft informatie van de huisarts en van de gezondheidszorgpsycholoog betrokken bij zijn beoordeling. In de brief van de gezondheidszorgpsycholoog van 16 april 2013 wordt informatie gegeven over appellants situatie in april 2010, juni 2010 en begin september 2010. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat uit de informatie van de huisarts blijkt dat appellant op

2 februari 2009 met klachten bij de huisarts is geweest, maar dat dit niet heeft geleid tot een medische vervolgactie. Er zijn geen aanwijzingen dat appellant rond deze datum zijn werk niet (meer) kon doen. Op 18 maart 2010 werd appellant door de huisarts naar de GGZ verwezen in verband met de klachten. In de hiervoor vermelde brief van de gezondheidszorgpsycholoog is te lezen dat appellant bij aanmelding forse klachten had. Over de situatie in september is vermeld dat het toen beter ging met appellant, want in de brief staat dat appellant veel aan het gesprek had gehad. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeldt dat het niet meer dan logisch is om aan te nemen dat dit geen proces is geweest dat van de ene op de andere dag tot die verbetering heeft geleid. Daarom is het aannemelijk dat appellant in augustus 2010 in een betere geestelijke gezondheid verkeerde dan in maart 2010. Er is in het betoog van appellant dat 27 augustus 2010, dan wel 2 februari 2009 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangemerkt geen aanleiding gevonden voor twijfel aan de juistheid van de visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat er zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden dat heeft geleid tot de vaststelling van 18 maart 2010 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

Aanspraken op grond van de Wet WIA

4.3.

Nu vast is komen te staan dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het Uwv terecht 18 maart 2010 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft aangemerkt, moet worden beoordeeld of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat bestreden besluit 2 berust op een deugdelijke verzekeringsgeneeskundige grondslag. De Raad heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 25 september 2013 gemotiveerd waarom de FML van

22 april 2013, opgesteld met betrekking tot appellants belastbaarheid op 18 maart 2010, ook van toepassing is te achten met betrekking tot de belastbaarheid op de datum in geding,

16 maart 2012. Deze arts heeft medische gegevens uit het dossier, waaronder informatie van de behandelend sector, die zien op de datum in geding in zijn beoordeling betrokken. Hij heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant per 16 maart 2012 nog conform de FML van 22 april 2013 was, omdat volgens de gezondheidszorgpsycholoog de angstklachten van appellant eerst in de loop van 2012 verminderden. Voor de motivering hoe hij tot de vastgestelde beperkingen in deze FML is gekomen verwijst hij naar zijn eerdere rapport van 22 april 2013. In dat rapport heeft deze arts gemotiveerd hoe hij tot de vastgestelde beperkingen voor arbeid is gekomen voor 18 maart 2010. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld dat uit de informatie van de GGZ blijkt dat appellant structuur nodig had. Voor wat betreft zijn emotionele labiliteit geldt dat die met name te maken had met appellants eigen verleden. In werk zal dit daarom niet dan wel nauwelijks hebben gespeeld, anders dan in relatie met zijn zakenpartner. Verder licht de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 25 september 2013 toe dat hij een beperking heeft aangenomen op het item 1.9.10 van de FML en niet op de bovenliggende items, omdat hij, mede in verband met appellants dagelijkse bezigheden, geen aanleiding ziet om ervan uit te gaan dat het om volledig voorgestructureerd werk en dergelijke moet gaan. Ook geven appellants dagelijkse bezigheden geen aanleiding om aan een zogenaamde urenbeperking te denken, mits met de vastgestelde beperkingen rekening wordt gehouden. Appellant heeft in hoger beroep, net als in beroep, geen medische gegevens overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat twijfel gerechtvaardigd is aan de juistheid van de FML van 22 april 2013. Hetgeen door appellant is betoogd met betrekking tot item 2.8 in de FML geeft geen aanleiding te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid. Er zijn ook overigens geen aanknopingspunten in het dossier te vinden voor het oordeel dat de beperkingen in voornoemde FML een onjuiste weergave zijn van appellants beperkingen voor het verrichten van arbeid.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 22 april 2013 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de voor appellant geselecteerde functies voor hem geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heeft in zijn rapport van 30 september 2013 de geschiktheid van de geduide functies voor appellant voldoende toegelicht. Appellants grond die ziet op de vaststelling van het maatmanloon behoeft geen bespreking nu die grond betrekking had op een beoordeling in het kader van de Wet WIA waarbij 27 augustus 2010 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag is aangemerkt.

Aanspraken op grond van de WAO

4.5.

Nu is overwogen dat het Uwv terecht 18 maart 2010 als eerstdag heeft vastgesteld waarop appellants beperkingen in relevante mate zijn toegenomen, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1, voor zover dat ziet op de WAO-aanspraken, terecht ongegrond verklaard. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 18 maart 2010 valt buiten de vijfjaarstermijn van de WAO die loopt tot 1 maart 2010, waardoor appellant geen aanspraak kan maken op heropening van de WAO-uitkering.

4.6.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Gelet op deze uitkomst zal het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2015.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker

NK