Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2751

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
13/5987 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WGA-uitkering. Geen grond voor twijfel aan de juistheid van de FML. De voorgehouden voorbeeldfuncties overschrijden de belastbaarheid van appellant niet en zijn daarom ook medisch geschikt voor hem. Het Uwv heeft het maatmanloon alsnog geïndexeerd naar de datum hier in geding. Het uit de voorgehouden voorbeeldfuncties voortvloeiende verdienvermogen afgezet tegen het nader vastgestelde maatmanloon leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 31.67%. Het Uwv heeft daarom terecht vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een WGA-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5987 WIA

Datum uitspraak: 14 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

26 september 2013, 13/1229 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2015. Namens appellant is verschenen mr. M.J.G. Voets, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

Het onderzoek is na de zitting heropend.

Het Uwv heeft desgevraagd een nadere reactie ingezonden.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 5 mei 2008 heeft het Uwv appellant per 11 juni 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 37%. Bij besluit van

27 januari 2012 is deze loongerelateerde WGA-uitkering per 1 februari 2012 gewijzigd in een WGA-vervolguitkering.

1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant plaatsgevonden. Op basis daarvan heeft het Uwv bij besluit 26 april 2012 de WGA-uitkering van appellant per 27 juni 2012 beëindigd omdat appellant op die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het hiertegen ingediende bezwaar is door het Uwv bij besluit van 22 januari 2013 (bestreden besluit), onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.

2. Omdat naar aanleiding van het beroep de motivering van het bestreden besluit is gewijzigd, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd. De rechtbank heeft voorts aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat alle bij appellant bestaande lichamelijke en psychische klachten door de verzekeringsartsen zijn onderkend, erkend en betrokken bij de vaststelling van de beperkingen van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts kennisgenomen van de in het dossier aanwezige medische gegevens en van de door appellant naar voren gebrachte klachten en beperkingen. Op grond daarvan heeft die verzekeringsarts op inzichtelijke wijze onderbouwd hoe hij tot de vaststelling van de bij appellant bestaande beperkingen - zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 augustus 2011 - is gekomen. Daarbij is door die verzekeringsarts tevens vastgesteld dat bij appellant geen sprake is van een excessief ziekteverzuim. De rechtbank komt voorts tot de conclusie dat, gelet op de voorhanden zijnde stukken, geen urenbeperking aan de orde is en dat appellant op de datum in geding staat moet worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank ziet dan ook geen reden tot het benoemen van een onafhankelijke specialist als deskundige. Nu mede uit de door de arbeidsdeskundige in beroep gegeven motivering blijkt dat de belasting in de voorgehouden voorbeeldfuncties in overeenstemming is met de belastbaarheid van appellant berust het betreden besluit naar het oordeel van de rechtbank op een toereikende arbeidskundige grondslag.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan de bestreden besluitvorming onvolledig en daarmee onzorgvuldig is geweest. Appellant is van mening dat zijn medische beperkingen - als gevolg van de ziekte van Ménière, een doorgemaakte TIA en patent foramen ovale - onvoldoende zijn onderkend en dat ten onrechte is aangenomen dat voor hem voldoende passende arbeidsmogelijkheden open staan. Voorts is naar het oordeel van appellant bij het vaststellen van het verzuimrisico ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de aanvallen van duizeligheid een enorme impact hebben op zijn het dagelijkse leven. Uit hetgeen appellant heeft aangevoerd volgt dat hij per 27 juni 2012 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt moet worden geacht. Mocht dat oordeel niet worden gevolgd dan dient - gelet op de twijfel die bestaat met betrekking tot het medisch oordeel van het Uwv - een onderzoek door een onafhankelijk deskundige worden geïnitieerd. Appellant is tevens van mening dat de belasting in de hem voorgehouden voorbeeldfuncties zijn belastbaarheid te boven gaat. Voorts meent appellant dat zijn maatmanloon ten onrechte niet is geïndexeerd naar de hier in geding zijnde datum, te weten 27 juni 2012. Tot slot is een aantal van de functies op de datum in geding niet meer actueel.

4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1.

De Raad leest hetgeen appellant in hoger beroep aanvoert aldus dat hij slechts in hoger beroep komt tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hetgeen appellant tegen het oordeel van de rechtbank dat daaraan ten grondslag ligt heeft aangevoerd, is een herhaling van hetgeen in beroep door hem naar voren is gebracht.

5.2.

Voor zover de aangevoerde gronden betrekking hebben op de medische kant van de schatting verwijst de Raad naar de in de aangevallen uitspraak door de rechtbank gegeven uitgebreide overwegingen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend heeft onderbouwd hoe hij na eigen onderzoek van appellant en bestudering van de voorhanden zijnde gedingstukken - waaronder informatie van de behandelend sector - tot de in de FML neergelegde bij appellant bestaande beperkingen komt. Terecht heeft de rechtbank voorts geen grond gevonden voor twijfel aan de juistheid van de in de FML weergegeven uitkomsten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat ten grondslag ligt aan de bestreden besluitvorming. Gelet op de bedoelde onderbouwing en het feit dat appellant geen medische stukken heeft overgelegd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat appellant op de in geding zijnde datum in staat moet worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde belastbaarheid. Daarbij merkt de rechtbank terecht op dat uit de door appellant overgelegde medisch specialistische gegevens niet blijkt dat bij appellant sprake is van een zodanige aandoening die leidt tot een verminderd energetisch vermogen of van een situatie in preventieve zin waardoor fulltime werken zou leiden tot schade van zijn gezondheid. Betreffende het door appellant gestelde dat bij hem als gevolg van zijn klachten sprake is van excessief ziekteverzuim is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook op dit punt inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd waarom er in het geval van appellant geen sprake van een zodanig hoog ziekteverzuimrisico dat van een werkgever tewerkstelling niet meer in redelijkheid kan worden verlangd. Er is gelet op het voorgaande ook in hoger beroep geen aanleiding een deskundige in te schakelen.

5.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 23 augustus 2011 is de rechtbank terecht van oordeel dat belasting in de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep blijkens zijn rapport van 18 juni 2013 aan de schatting te grondslag gelegde voorgehouden voorbeeldfuncties de belastbaarheid van appellant niet overschrijden en daarom ook medisch geschikt voor hem zijn. De arbeidsdeskundige heeft in het formulier “Resultaat functiebeoordeling AO-criterium Wet WIA” - daarin gevolgd door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep - inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom appellant - gegeven de bij hem bestaande beperkingen - in staat moet worden geacht de aan de voorgehouden voorbeeldfuncties verbonden werkzaamheden - gelet op de daarin voorkomende belasting - moet kunnen verrichten. Voorts heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep blijkens zijn rapport van 18 juni 2013 vastgesteld dat de betreffende voorbeeldfuncties actueel zijn. Er is geen reden voor twijfel aan dat oordeel van die arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

5.4.

Blijkens haar rapport van 19 september 2011 heeft de arbeidsdeskundige het destijds in juni 2007 vastgestelde maatmaninkomen niet geïndexeerd naar de datum 27 juni 2012, maar heeft zij wat betreft die indexering aansluiting gezocht bij de datum van haar onderzoek, te weten 19 september 2011. Zij heeft dat loon op die datum vastgesteld € 20,58 per uur. Desgevraagd heeft het Uwv bedoeld maatmanloon alsnog geïndexeerd naar de datum hier in geding en nader vastgesteld op € 20,82. Het uit de voorgehouden voorbeeldfuncties voortvloeiende verdienvermogen afgezet tegen het nader vastgestelde maatmanloon leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 31.67%. Het Uwv heeft daarom terecht vastgesteld dat appellante vanaf 27 juni 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA meer had.

6. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.4 treft het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2015.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) M. Crum

JvC