Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2747

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
13/3774 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant doorlopend ongeschikt wordt geacht voor de verzekerde arbeid van fulltime zelfstandig metselaar in de volle omvang en dat de inkomsten uit arbeid worden gekort op de ZW-uitkering. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de belasting in de functie van zelfstandig metselaar zoals door het Uwv omschreven. Uit de medische onderzoeken blijkt dat appellant door de steeds terugkomende klachten aan de elleboog niet meer geschikt is voor het werk van zelfstandig metselaar. Appellant heeft tijdens zijn ziekteperiode aanpassingen in zijn werkzaamheden gemaakt waardoor hij zich, meer dan voorheen, heeft toegelegd op de administratieve en organisatorische taken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3774 ZW

Datum uitspraak: 14 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 juni 2013, 12/1282 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2015. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 27 juli 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant, die als zelfstandig metselaar vrijwillig is verzekerd in het kader van de Ziektewet (ZW) met ingang van

8 juli 2010 recht heeft op een uitkering op grond van de ZW. Gedurende de wachttijd is appellant twee maal geschikt verklaard voor zijn arbeid, waarna hij zich na enkele weken opnieuw heeft ziek gemeld, waarop aan appellant - laatstelijk bij besluit van 17 juni 2011 - wederom een ZW-uitkering is toegekend.

1.2.

Bij besluit van 9 maart 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf 8 juli 2010 doorlopend ongeschikt wordt geacht voor de verzekerde arbeid van fulltime zelfstandig metselaar in de volle omvang en dat de inkomsten uit arbeid na 8 juli 2010 worden gekort op de ZW-uitkering. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 26 juli 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd hij niet vanaf 8 juli 2010 als doorlopend arbeidsongeschikt kan worden aangemerkt. Daartoe voert appellant aan dat de maatgevende arbeid onjuist is vastgesteld, omdat deze arbeid niet bestond uit fulltime metselwerkzaamheden. Appellant verrichtte ook andere werkzaamheden zoals adviseren, onderhandelen, offertes samenstellen en bespreken, voortgang coördineren, bouw uitzetten alsmede tegelwerkzaamheden en administratieve werkzaamheden. Verder voert appellant aan dat hij sinds 2008 niet alleen met elleboogklachten is uitgevallen, maar met diverse klachten. Sinds juni 2011 heeft appellant geen elleboogklachten meer gehad. Subsidiair voert appellant aan dat hij vanaf 12 april 2011 dan wel vanaf 25 oktober 2011 volledig geschikt is voor zijn arbeid. Vanaf 25 oktober 2011 tot en met 20 september 2012 heeft appellant zonder verzuim volledig gewerkt. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst appellant naar het huisartsenjournaal van 17 februari 2014.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst het Uwv naar het Plan van Aanpak, deel 2 van arbeidsdeskundige van het Uwv Wiertz en naar het - in het kader van de Wet werk en in komen naar arbeidsvermogen opgestelde - rapport van de arbeidsdeskundige van het Uwv van

11 april 2013.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de ZW heeft de vrijwillig verzekerde recht op ziekengeld indien hij wegens ziekte, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot het verrichten van hem passende arbeid. Als zodanig dient in dit geval te worden aangemerkt het werk als “zelfstandig metselaar (ZZP-er) totaal in de bouw, hele ruwbouw tot aan kap toe, alsmede het aannemen van bouw- en verbouwwerk, vaak samen met een andere ZZP-er”.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv van een juiste, in de functie van zelfstandig metselaar voorkomende, werkbelasting is uitgegaan. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de werkbelasting in deze functie hoofdzakelijk bestond uit metselen en daarnaast enige administratieve werkzaamheden en het onderhouden van klantencontacten. Het standpunt van appellant dat de maatgevende arbeid onjuist is vastgesteld, omdat het metselen slechts een onderdeel van zijn daginvulling betrof treft daarom geen doel. In dit verband wordt gewezen op het verzekeringsgeneeskundig rapport van 29 juli 2010 waarin de verzekerde arbeid, zoals hiervoor vermeld, wordt omschreven. Uit de gedingstukken volgt dat ook de arbeidsdeskundigen uitgaan van de laatst - voor de uitval van 8 juli 2010 - verrichte arbeid als zelfstandig metselaar met de bijkomende werkzaamheden als het onderhouden van contacten, het maken van offertes, het organiseren van werk, het bestellen van materialen en het voeren van werkoverleg. Nu in hoger beroep geen stukken zijn overgelegd waaruit volgt dat het Uwv van een onjuiste werkbelasting is uitgegaan, bestaat er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de belasting in de functie van zelfstandig metselaar zoals door het Uwv omschreven.

4.3.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit de onderzoeken van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat appellant door de steeds terugkomende klachten aan de elleboog niet meer geschikt is voor het werk van zelfstandig metselaar zoals onder 4.1 omschreven. De omstandigheid dat appellant ook andere klachten heeft, maakt dit niet anders, nu appellant reeds door de elleboogklachten ongeschikt is voor dit werk. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij op of na 8 juli 2010 volledig geschikt was voor zijn werk als zelfstandig metselaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft in zijn rapport van 16 juli 2012 voldoende gemotiveerd dat appellant door de recidiverende klachten aan de elleboog niet meer geschikt is om zijn werk, zoals hij dat deed voor zijn eerste ziekmelding, volledig te verrichten. Dat appellant vanaf 25 oktober 2011 zonder verzuim volledig heeft gewerkt als zelfstandig metselaar, blijkt niet uit het door appellant in hoger beroep overgelegde huisartsenjournaal. Weliswaar wordt in dit journaal op 22 september 2011 voor het laatst melding gemaakt van pijn in de rechterelleboog, maar het Uwv heeft terecht opgemerkt dat, ook al zou appellant vanaf 25 oktober 2011 zijn werkzaamheden hebben hervat, niet duidelijk is of dit een volledige werkhervattting in de maatgevende arbeid van zelfstandig metselaar betrof. In dit verband is tevens het rapport van de arbeidsdeskundige van 11 april 2013 van belang, waarin genoegzaam uiteengezet is dat appellant tijdens zijn ziekteperiode aanpassingen in zijn werkzaamheden heeft gemaakt waardoor hij zich, meer dan voorheen, heeft toegelegd op de administratieve en organisatorische taken.

4.4.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2015.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker

NK