Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
14/4007 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering. Terugvordering. Huisbezoek. Verklaring broer. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4007 WSF

Datum uitspraak: 5 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

5 juni 2014, 13/7961 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J. van der Graaf, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Voor appellante is

mr. Van der Graaf verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, voor de jaren 2012 en 2013 aan appellante studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Appellante staat vanaf 8 juli 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven onder het adres [adres] . De broer van appellante [naam broer] is op dit adres als hoofdbewoner geregistreerd.

1.2.

Bij besluit van 6 juli 2013 heeft de minister appellante vanaf 1 januari 2012 alsnog als thuiswonend aangemerkt, de vanaf januari 2012 toegekende studiefinanciering herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende en een bedrag van € 3.456,48, dat als gevolg van de herziening over de periode januari 2012 tot en met juni 2013 te veel aan appellante is betaald, teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 24 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 juli 2013 ongegrond verklaard. Aan de herziening heeft de minister ten grondslag gelegd dat appellante niet woont op het adres waaronder zij in de GBA staat ingeschreven. Dit standpunt is gebaseerd op de resultaten van een door twee controleurs in opdracht van de minister afgelegd huisbezoek op 21 juni 2013 op het

GBA-adres van appellante, in het bijzijn van de broer van appellante (hierna: broer). Van dit huisbezoek is op 23 juni 2013 een rapport opgemaakt. Daarin staat vermeld dat de broer de controleurs een kamer toonde waarin een eenpersoonsbed en een satellietontvanger stonden. In die kamer werden geen persoonlijke eigendommen van appellante aangetroffen. In het rapport staat verder de volgende verklaring van de broer opgetekend: “Ik ben hier de hoofdbewoner. Mijn zus heeft hier gewoond en staat hier nog ingeschreven. Ik toon u de kamer die zij gebruikte. Daar staat alleen nog maar een bed en er ligt een tandenborstel. Verder heeft zij, nu ongeveer anderhalve maand geleden, al haar spullen verhuisd. Zij gaat binnenkort trouwen en is bij haar toekomstige echtgenoot ingetrokken. Sinds anderhalve maand woont zij niet meer. Zij moet nog doorgeven aan DUO dat zij verhuisd is. Zij slaapt nog wel eens hier.” Deze verklaring is gelijk aan het bij het rapport gevoegde formulier “Verklaring Student of betrokkene” waarin de gecontroleerde student of betrokkene een verklaring aflegt over de woonsituatie van de gecontroleerde student.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de minister, gelet op de bevindingen van het huisbezoek, terecht heeft geconcludeerd dat appellante ten tijde van dat huisbezoek niet woonde op haar GBA-adres. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat niet valt vast te stellen dat de inbouwkast, waarvan appellante foto’s heeft overgelegd, zich in de onderzochte kamer bevindt en dat zich daarin spullen van appellante bevonden. Verder mag volgens vaste rechtspraak van de Raad, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk afgelegde verklaring. Reeds om die reden mag worden uitgegaan van de eerste verklaring van de broer dat appellante ten tijde van de controle niet meer op het

GBA-adres woonde, maar haar adreswijziging nog niet aan DUO had doorgegeven. De rechtbank overweegt daarbij dat aan de stelling dat de handtekening in het controlerapport niet van haar broer is rechtens niet de betekenis dient te worden toegekend, die appellante daaraan toegekend wenst te zien, nu deze eerst in beroep naar voren is gebracht. Bovendien bevinden zich in het dossier drie verschillende door de broer ondertekende documenten die alle verschillend van elkaar zijn, waardoor onvoldoende vast is komen te staan dat de handtekening in het rapport niet van de broer is. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet het onomstotelijke bewijs heeft geleverd dat het wettelijk vermoeden van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 onjuist is, zodat de uitwonendenbeurs van appellante terecht vanaf 1 januari 2012 is herzien.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft gesteld dat aan het bestreden besluit geen zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt en dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de GBA staat of staan ingeschreven.

4.1.2.

Of iemand woont op zijn GBA-adres wordt beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden.

4.2.

Nu een herziening als hier aan de orde een belastend besluit is, moet de minister aannemelijk maken dat appellante niet heeft voldaan aan de voorwaarden die in artikel 1.5 van de Wsf 2000 zijn opgenomen.

4.3.

Het bestreden besluit berust op een verklaring van de broer, zijnde de hoofdbewoner. Deze in 2 genoemde verklaring is door de broer bij punt 5 van de verklaring en door beide controleurs bij punt 6 van de verklaring getekend. De stelling van appellante dat haar broer de verklaring niet heeft ondertekend leidt de Raad niet tot het oordeel dat er aan getwijfeld kan of moet worden dat de broer van appellante heeft verklaard als in de verklaring is neergelegd en dat hij de verklaring heeft getekend. Voor het standpunt dat beide controleurs in strijd met de waarheid de verklaring hebben opgesteld en hebben getekend en dat de verklaring blijkbaar valselijk van een handtekening van de broer is voorzien, biedt hetgeen appellante heeft aangevoerd geen enkele grondslag.

4.4.

Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat er geen reden aanwezig is om de broer niet aan zijn eerste verklaring te houden.

4.5.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 24 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2030, mag de minister een besluit als in geding in de regel baseren op een rapport van een controleur waarin deze afgaat op een door de hoofdbewo(o)n(st)er ondertekende verklaring dat de student niet op zijn of haar adres woont. Onderzoek in de woning is in dat geval niet noodzakelijk, maar kan overigens wel bijdragen aan het uitsluiten van twijfel over de feitelijke situatie. Zeer bijzondere omstandigheden, zoals deze onder andere in bezwaar kunnen blijken, kunnen echter wel nopen tot het verrichten van nader onderzoek alvorens op bezwaar te beslissen.

4.6.

Van dit soort bijzondere omstandigheden is de Raad in dit geval niet gebleken. Van een situatie waarin appellante van aanvang af op consequente, consistente en overtuigende wijze naar voren heeft gebracht dat de door de hoofdbewoner ondertekende verklaring berust op een onjuiste interpretatie van de vraagstelling van de controleur over de aanwezigheid van appellante in de woning is geen sprake. Daarbij komt dat aan de controleurs een - gelet op de verklaring van de broer in de lijn der verwachting liggend - kamer is getoond die appellante gebruikt zou hebben waarin geen tot appellante herleidbare spullen zijn aangetroffen.

4.7.

De verklaring van appellante dat zij geen goede verhouding heeft met haar broer, haar broer ontliep en haar broer veelal niet wist of zij in zijn woning sliep en daarom onjuiste informatie zou kunnen hebben verstrekt doet, nu het een woning betreft van 59 m2, afbreuk aan de geloofwaardigheid bedoeld in 4.6.

4.8.

Aan de overigens niet van tijdstippen voorziene verklaring van de buurman van de broer, inhoudende dat hij appellante (bijna) dagelijks zag als hij naar beneden liep komt geen gewicht toe. Niet aannemelijk is dat de buurman appellante (bijna) dagelijks zag als hij naar beneden liep, terwijl appellante heeft gesteld dat zij - behoudens soms in het weekend als haar broer niet thuis was - slechts overnachtte bij haar broer, laat in de avond arriveerde en vroeg de volgende morgen weer vertrok.

4.9.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) V. van Rij

HD