Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2735

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
14/404 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er was sprake van verstoorde verhoudingen. Daargelaten aan wie en in welke mate dit te wijten is geweest, biedt deze vaststelling wel grond voor de beslissing om de duur van de functievervulling van appellant niet te verlengen. Het is immers niet in het belang van de organisatie dat de binnen de Brigade CARIB ontstane en toenemende tweespalt wordt gecontinueerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/306
TAR 2015/162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/404 AW

Datum uitspraak: 13 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 oktober 2013, 13/3247 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 maart 2015. Partijen zijn niet verschenen. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2015. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.M.R. van den Einde.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Marechaussee. Met ingang van 1 juli 2008 is hij voor de duur van drie jaar geplaatst bij de Brigade Caribisch Gebied (Brigade CARIB), standplaats Curaçao, in de functie van medewerker informatievoorziening bij het Brigade Informatieknooppunt (BIK). Met ingang van 1 juli 2010 is hij daar voor de duur van drie jaar geplaatst in de functie van senior medewerker informatievoorziening, in de rang van opperwachtmeester. De directe chef van appellant was adjudant-onderofficier B.

1.2.

Op 27 juli 2010 en 1 juni 2011 hebben functioneringsgesprekken met appellant plaatsgevonden. Begin 2011 heeft een zogeheten P-schouw plaatsgevonden, waarin ook appellant was betrokken. Uit het verslag van het functioneringsgesprek van 27 juli 2010 komt op de competenties Samenwerking, Communicatie en Integriteit een positieve waardering van B voor appellant naar voren. Als aandachtpunt is vermeld dat appellant over een aantal dingen een, soms te snel gevormde, uitgesproken mening heeft en niet snel geneigd is daarvan af te wijken. De rapportage van de P-schouw vermeldt als pluspunten dat appellant competent is op zijn vakgebied, beslissingen durft te nemen en een gezond oordeelsvermogen heeft. De scores op de competenties zijn: Samenwerking: 4; Communicatie: 3; Integriteit: 2. Het timen van zijn reactie is een ontwikkelpunt en appellant heeft de neiging zijn primaire reactie verbaal krachtig te uiten. Om die reden is de score op de competentie Integriteit: 2.

Opgemerkt wordt dat appellant bewust bezig is met zijn ontwikkeling en een ontwikkeling in positieve zin doormaakt. In de rubriek Talentmanagement krijgt appellant in de reeks Diamantje-Pareltje-Normaal-Grijze muis-Grijze olifant de kwalificatie: Pareltje. Het verslag van het functioneringsgesprek van 1 juni 2011 laat in de kern hetzelfde beeld zien als het daaraan voorafgegane functioneringsgesprek en de P-schouw.

1.3.

In juli 2011 heeft een wisseling plaatsgevonden in de leiding van het BIK en is kapitein D daar benoemd tot coördinator. Daarmee werd D de directe chef van B en de lijnchef van appellant. Uit de gedingstukken komt naar voren dat, van meet af aan, sprake was van een moeizame relatie tussen appellant en D. Appellant had kritiek op de wijze van functievervulling van D. Daaraan heeft hij op 28 november 2011 schriftelijk uitdrukking gegeven.

1.4.

Eind 2011 heeft appellant, nadat hij dat eerder al in het functioneringsgesprek van 1 juni 2011 had gedaan, mondeling verzocht om verlenging van de duur van zijn functievervulling met twee jaar tot 1 juli 2015. Daarop is een mondelinge afwijzing gevolgd. Appellant heeft laten weten zich daarbij niet te zullen neerleggen.

1.5.

Begin 2012 heeft opnieuw een P-schouw plaatsgevonden. Nu scoort appellant op alle competenties: 2. Vermeld wordt dat de wijze van communiceren van appellant een aandachtspunt en mogelijk een probleem is en dat het gevoel van appellant dat hem onrecht wordt aangedaan daarvan voor een belangrijk deel de oorzaak is.

1.6.

Op 19 april 2012 heeft appellant een schriftelijk verzoek om verlenging ingediend. Bij besluit van 16 juli 2012 is het verzoek afgewezen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.7.

Op 13 juli 2012 heeft weer een functioneringsgesprek met appellant plaatsgevonden. Uit het verslag komt een kritischer oordeel van B naar voren dan in de functioneringsgesprekken van 27 juli 2010 en 1 juni 2011.

1.8.

Ter voorbereiding van de beslissing op het bezwaar van appellant zijn in de tweede helft van 2012 verklaringen op schrift gesteld van een aantal medewerkers van de Brigade CARIB over het functioneren van appellant. Deze verklaringen, die overwegend kritisch van aard zijn, hebben voor een deel betrekking op door hen met appellant in de eerste helft van 2012 gevoerde gesprekken en voor een ander deel op gebeurtenissen waarbij appellant op de een of andere manier was betrokken. Twee medewerkers hebben schriftelijk laten weten zich niet te herkennen in deze verklaringen dan wel niet betrokken te willen worden in een "arbeidsconflict".

1.9.

Bij besluit van 15 maart 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is ten eerste ten grondslag gelegd dat appellant weliswaar in zijn algemeenheid goed functioneert, maar op een aantal gebieden minder goed. De competenties Samenwerking en Communicatie worden met name genoemd. Wat de competentie Communicatie betreft gaat het daarbij in het bijzonder om het gedrag van appellant op het werk. Aan het bestreden besluit is verder ten grondslag gelegd dat appellant voorafgaand aan zijn plaatsing in de functie van senior medewerker informatievoorziening al in een eerdere functie bij de Brigade CARIB was geplaatst en dat het in zijn algemeenheid onwenselijk wordt geacht dat militairen een te lange periode achter elkaar buiten Nederland blijven geplaatst. Ten slotte is aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat sprake is van een gebrek aan chemie tussen appellant en zijn leidinggevenden. De minister acht het belang van de organisatie bij het niet verlengen van de functieduur van appellant daarom groter dan het belang van appellant bij het wel verlengen daarvan.

1.10.

Appellant is enige tijd na het bestreden besluit, nadat de situatie verder was geëscaleerd, teruggekeerd naar Nederland. Met ingang van 1 november 2013 is hij geplaatst in de functie van criminaliteitsanalist operationeel bij het Korps Informatie Knooppunt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Anders dan de rechtbank acht de Raad wel procesbelang aanwezig. Aan het bestreden besluit ligt onder meer een kritisch oordeel over het functioneren van appellant ten grondslag. Appellant heeft overtuigend uiteengezet dat hij van dit oordeel nadeel kan ondervinden in het vervolg van zijn loopbaan. Dat geldt in algemene zin bij het in aanmerking komen voor andere, al dan niet hogere, functies waarvoor appellant belangstelling toont en meer in het bijzonder bij een, door appellant gewenste, nieuwe plaatsing bij de Brigade CARIB.

3.2.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad wijst de zaak niet terug naar de rechtbank, omdat deze geen nadere behandeling door haar behoeft. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit inhoudelijk beoordelen.

3.3.

Ingevolge artikel 17, eerste en tweede lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement geschiedt functietoewijzing door de minister. Een functie wordt in beginsel voor minimaal twee en maximaal drie jaar toegewezen. Met instemming van de militair kan de duur van de functievervulling worden verlengd tot een maximum van vijf jaar. In de Richtlijn Functietoewijzing & Bevordering KMAR is de verlenging van de functieduur uitgewerkt. Daartoe is in punt 5.1 onder meer opgenomen dat rekening moet worden gehouden met zowel het belang van de organisatie als het belang van de militair, dat het functioneren van de militair aan verlenging in de weg kan staan (in welk geval een functioneringstraject moet worden aangeboden) en dat een afwijzing van een verzoek van de militair om verlenging zorgvuldig moet worden gemotiveerd.

3.4.

De Raad acht onvoldoende grondslag aanwezig voor het oordeel van de minister dat appellant niet goed functioneerde. Weliswaar was, tot en met het functioneringsgesprek van

1 juli 2011, sprake van een kritische kanttekening op - slechts - één punt, maar dat heeft niet geleid tot het oordeel van B dat appellant niet goed functioneerde. Gelet op de overige beschikbare gegevens was daarvoor ook geen grond. De Raad kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de moeizame relatie tussen appellant en D, en in het verlengde daarvan later ook met B, ten grondslag heeft gelegen aan de aanvankelijk mondelinge en later schriftelijke afwijzing van het verzoek om verlenging en dat de in de P-schouw van begin 2012 en het functioneringsgesprek van 13 juli 2012 neergelegde kritiek op het functioneren van appellant deze beslissing moest onderbouwen. Uit de gedingstukken komt ook naar voren dat de situatie escaleerde. Mede om die reden kan ook aan de in de tweede helft van 2012 opgestelde schriftelijke verklaringen slechts een zeer beperkte betekenis worden toegekend. Dit geheel van feiten en omstandigheden leidt de Raad tot het oordeel dat de P-schouw van begin 2012, het functioneringsgesprek van 13 juli 2012 en de in de tweede helft van 2012 opgestelde schriftelijke verklaringen buiten beschouwing moeten blijven en ook in de toekomst niet aan appellant mogen worden tegengeworpen. Hieruit volgt dat aan het bestreden besluit niet ten grondslag had mogen worden gelegd dat appellant niet goed functioneerde.

3.5.

Uit het geheel van feiten en omstandigheden vloeit tegelijkertijd voort dat - duidelijk - sprake was van verstoorde verhoudingen tussen appellant en D en ook B. Daargelaten aan wie en in welke mate dit te wijten is geweest, biedt deze vaststelling wel grond voor de beslissing om de duur van de functievervulling van appellant niet te verlengen. Het is immers niet in het belang van de organisatie dat de binnen de Brigade CARIB ontstane en toenemende tweespalt wordt gecontinueerd. De minister heeft om die reden het belang van de organisatie in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van appellant. Dat B halverwege 2013 en D eind 2013 bij de Brigade CARIB zijn vertrokken, maakt dit niet anders.

3.6.

Dit betekent dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Het beroep is ongegrond. De Raad laat daarom in het midden of het gegeven dat appellant voorafgaand aan zijn plaatsing in de functie van senior medewerker informatievoorziening al in een eerdere functie bij de Brigade CARIB was geplaatst, een zelfstandige grond voor afwijzing van het verzoek om verlenging oplevert.

3.7.

Voor een veroordeling in de proceskosten van het beroep is geen aanleiding. Van kosten van appellant waarop een veroordeling in de proceskosten van het hoger beroep betrekking kan hebben, is niet gebleken.

3.8.

De Raad ziet ten slotte aanleiding te bepalen dat het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad aan hem wordt terugbetaald.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 239,- door de griffier aan

appellant wordt terugbetaald.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2015.

(getekend) T.G.M. Simons

(getekend) B. Rikhof

HD