Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2733

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
14/4679 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omdat het onmogelijks is gebleken om appellant een passende functie aan te beiden, was het college bevoegd appellant te ontslaan. De Raad acht aannemelijk dat appellant door deze selectieve opstelling ten minste eenmaal, in Bergambacht, een concrete kans op een passende arbeidsplaats heeft gemist. Appellant heeft desgevraagd geen concreet voorbeeld kunnen geven van een situatie waarin hij ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een passende interne functie; de Flexgroep die appellant in dit verband als mogelijkheid heeft genoemd kende, zoals L ter zitting onweersproken heeft verklaard, geen structurele functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4679 AW

Datum uitspraak: 13 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 juli 2014, 13/10354 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Gouda (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. van Loenhout hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. J. Zwennis een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het college nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Loenhout. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Zwennis en drs. P.F.A.M. Linssen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 oktober 1991 in dienst van de gemeente Gouda, laatstelijk in de functie van Senior Adviseur bij de afdeling Informatie en Statistiek. Bij besluit van

8 november 2007 is hem meegedeeld dat zijn functie per 1 januari 2008 is komen te vervallen, dat hij vanaf die datum bovenformatief is gesteld en dat een herplaatsingstraject van toepassing is. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit, zodat het in rechte is komen vast te staan.

1.2.

Na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college appellant bij besluit van 25 maart 2013 met ingang van 1 april 2013 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:3, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling-Goudse Uitwerkingsovereenkomst (CAR-GUWO).

1.3.

Bij besluit van 3 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant deels gegrond verklaard, met bepaling van de ingangsdatum van het ontslag op

28 juni 2013 en met verbetering van de ontslaggrond van artikel 8:3 in artikel 8:4 (zoals dit

artikel tot 1 juli 2008 luidde) van de CAR-GUWO.

2.1.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het college het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 8:4 (oud) van de CAR-GUWO; het had het inhoudelijk gelijke artikel 8:3 van de CAR-GUWO, zoals dit vanaf 1 juli 2008 luidde, aan het bestreden besluit ten grondslag moeten leggen. Het beroep is in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten op grond van de volgende overweging.

2.2.

Op grond van de Nota Sociaal Kader Optimaforma bestond er met ingang van 1 januari 2008 een werkgelegenheidsgarantie gedurende een periode van vijf jaar. Gedurende deze periode dienden zowel het college als appellant zich in te spannen om een passende functie te vinden. De rechtbank is van oordeel dat het college gedurende de herplaatsingstermijn van vijf jaren voldoende aan zijn inspanningsverplichting tot herplaatsing van appellant heeft voldaan. Daartoe acht de rechtbank van belang dat uit de stukken naar voren komt dat appellant vanaf de start van de herplaatsingsperiode ongeveer een jaar op kosten van het college is begeleid door een loopbaanadviseur van het bureau BMC, gevolgd door een tweejarig traject loopbaanbegeleiding bij Menea. Hierna is voor appellant een mobiliteitstraject gestart bij JS Consultancy, welk traject liep tot mei 2013. Op 14 december 2012 is appellant de optie van een tijdelijk dienstverband bij POSO aangeboden en is de ingangsdatum van het reorganisatieontslag uitgesteld tot 1 maart 2013. Voorts zijn een ontwikkel- en mobiliteitsplan opgesteld, heeft appellant cursussen gevolgd en heeft zijn leidinggevende meerdere gesprekken met hem gevoerd in het kader van interne begeleiding en is appellant gewezen op meerdere vacatures. Al deze inspanningen van het college, alsook de inspanningen van appellant, de lange herplaatsingstermijn en het grote aantal sollicitaties hebben echter niet geleid tot een herplaatsing van appellant in een andere functie. Aangezien het onmogelijk is gebleken appellant een passende functie aan te bieden, was het college bevoegd om appellant te ontslaan. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen heeft het college in redelijkheid gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid.

3.1.

De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit is gebaseerd. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht voegt de Raad hier nog het volgende aan toe.

3.2.

Appellant heeft betoogd dat gedurende de hele herplaatsingsperiode zijn interne begeleiding ver onder de maat is gebleven. Zo heeft het structureel ontbroken aan het voeren van functionerings- of beoordelingsgesprekken, het concreet aanbieden van interne functies of het verkennen van concrete mogelijkheden, het toepassen van voorrangsregels voor Optimaforma kandidaten, het vragen van feedback aan opdrachtgevers om zicht te krijgen op zijn competentie-ontwikkeling; ook heeft het ontbroken aan interesse en persoonlijke aandacht.

3.3.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting rijst voor de Raad een ander beeld op dan appellant heeft geschetst. Vaststaat dat appellant achtereenvolgens door drie externe bureaus is begeleid en dat hij in hoofdzaak tevreden was over die begeleiding. Dit is een pluspunt dat indirect ook aan het college kan worden toegerekend. De interne begeleiding in die periode was in hoofdzaak in handen van L, de direct leidinggevende van appellant. Ook al zijn niet alle contacten tussen L en appellant in het dossier gedocumenteerd, het college heeft aannemelijk gemaakt dat tussen hen geregeld gesprekken hebben plaatsgevonden, waarin zowel aspecten van het functioneren en de competentie-ontwikkeling, als concrete kansen op de interne en externe arbeidsmarkt ter sprake zijn gekomen. Appellant stelde zich blijkens de

gedingstukken bij het zoekproces zelfredzaam, actief en onafhankelijk van L op. Hij heeft zich naar zijn zeggen tussentijds niet beklaagd over tekortschietende inspanningen van de zijde van L om de verstandhouding goed te houden. Onomstreden is dat interne herplaatsing van appellant bemoeilijkt werd door de krimpende gemeentelijke organisatie, waarbij voor

de weinige vrijkomende arbeidsplaatsen steeds meerdere herplaatsingskandidaten beschikbaar waren. Daarbij kwam dat appellant selectief solliciteerde omdat hij een brede afwisselende baan zocht met extra uitdaging. Bovendien zag hij zijn kansen op de arbeidsmarkt vooral als generalist; het advies van L om meer specifieke deskundigheid te ontwikkelen op een bepaald werkveld om daardoor een herkenbaarder profiel te krijgen heeft hij niet willen opvolgen.

De Raad acht aannemelijk dat appellant door deze selectieve opstelling ten minste eenmaal, in Bergambacht, een concrete kans op een passende arbeidsplaats heeft gemist. Appellant heeft desgevraagd geen concreet voorbeeld kunnen geven van een situatie waarin hij ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een passende interne functie; de Flexgroep die appellant in dit verband als mogelijkheid heeft genoemd kende, zoals L ter zitting onweersproken heeft verklaard, geen structurele functies.

3.4.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en

J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2015.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) B. Rikhof

HD