Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2730

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
14/2135 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorafgaand aan het ontslagbesluit van 31 oktober 2012 is appellante tewerkgesteld als medewerkster loket bij de afdeling Milieuvergunningen. Appellante functioneerde op deze werkplek weliswaar niet naar tevredenheid, maar van (onherstelbaar) verstoorde verhoudingen was geen sprake. Dit heeft tot gevolg dat het college ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit van 31 oktober 2012 niet bevoegd was om appellante te ontslaan met toepassing van artikel B.9, sub p, op andere dan in artikel B.9 van de CAP genoemde gronden. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het ontslagbesluit van 31 oktober 2012 herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/308
AB 2015/387 met annotatie van Redactie, mr. R. Ortlep
TAR 2015/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

7 maart 2013, 13/583 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van gedeputeerde staten van de provincie Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Pasman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. G. Ham, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pasman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ham.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is sinds 1987 op basis van een ambtelijke aanstelling werkzaam bij de provincie Groningen. Na een door appellante in 2002 ervaren incident met collega B, beiden werkzaam bij hetzelfde team van de afdeling Verkeer en Vervoer, heeft de leidinggevende in de daarop volgende jaren diverse malen geïntervenieerd tussen appellante en B. Het afdelingshoofd S heeft vanaf zijn aantreden in januari 2005 een dossier bijgehouden van zijn activiteiten en contacten rondom appellante en het team. Deze voorgeschiedenis en een voorval op 16 maart 2010 zijn voor S aanleiding geweest om het vertrouwen in appellante op te zeggen en haar een voornemen tot ontslag kenbaar te maken. Nadat appellante daarover haar zienswijze had gegeven, heeft het college appellante bij besluit van 29 april 2010 eervol ontslag verleend met toepassing van artikel B.9, sub p, op andere dan in artikel B.9 Collectieve Arbeidsvoorwaarden Provincies (CAP) genoemde gronden. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 november 2010.

1.3.

Het daartegen door appellante ingediende beroep heeft de rechtbank Groningen bij uitspraak van 27 april 2011, 10/1244, gegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding tussen appellante en B en als uitvloeisel daarvan tussen appellante en het gehele team waaraan S leiding geeft. Appellante valt daarbij volgens de rechtbank een overwegend verwijt te maken. Voldoende is komen vast te staan dat appellante steeds is blijven vasthouden aan haar beschuldigingen richting B, zonder dat zij daarvan bewijs heeft geleverd of zelfs een klacht daarover heeft willen indienen. Door zich zodanig op te stellen is een verdere samenwerking met B en in het verlengde daarvan het gehele team, niet mogelijk gebleken. De rechtbank is van oordeel dat niet uit het dossier blijkt dat appellante ook met anderen problemen heeft, of anderen met haar, zodat het college had dienen te onderzoeken of er mogelijkheden waren om tot een aanvaardbare oplossing te komen, bijvoorbeeld door overplaatsing van appellante. De rechtbank heeft het besluit van 16 november 2010 daarom vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en bepaald dat het college met inachtneming van de uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellante dient te beslissen.

1.5.

Ter uitvoering van de uitspraak heeft het college onderzocht of er overplaatsingsmogelijkheden zijn voor appellante. Bij besluit van 1 augustus 2011 heeft het college, het ontslagbesluit van 29 april 2010 ingetrokken, de aanstelling van appellante met terugwerkende kracht hersteld en haar tijdelijk tewerkgesteld voor de duur van zes maanden, ingaande op 8 augustus 2011, in de functie van medewerkster loket vergunningen bij de afdeling Milieuvergunningen. Bij goed functioneren zal de tijdelijke tewerkstelling worden verlengd met een jaar.

1.6.

Bij een tussenevaluatie op 9 november 2011 is appellante te kennen gegeven dat zij op de onderdelen initiatief tonen, werktempo en nauwkeurigheid, verbetering moet laten zien.

Bij een evaluatie op 30 januari 2012 is geconstateerd dat appellante onvoldoende progressie heeft geboekt op deze punten. Appellante heeft te kennen gegeven dat ze geen kritiek heeft gehad op haar functioneren. Op 7 februari 2012 is appellante meegedeeld dat de proefplaatsing zal worden beëindigd en is een aantal alternatieven besproken. Appellante en het college zijn niet tot overeenstemming gekomen.

1.7.

Nadat het college zijn voornemen tot ontslag kenbaar had gemaakt, en appellante daarover haar zienswijze had gegeven, heeft het college haar bij besluit van 31 oktober 2012 (opnieuw) eervol ontslag op andere gronden verleend met toepassing van artikel B.9 sub p, van de CAP met ingang van 1 december 2012. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 april 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorop gesteld dat beide partijen hebben berust in de uitspraak van 27 april 2011, zodat deze in rechte vast staat. Het feit dat het college bij besluit van 1 augustus 2011 het ontslagbesluit van 29 april 2010 heeft ingetrokken, brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de ‘Brummen-lijn” thans niet onverkort van toepassing is. Dit laat volgens de rechtbank onverlet dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding binnen het team en dat appellante daarvan in overwegende mate een verwijt valt te maken, zodat appellante niet kan terugkeren naar haar functie, zoals haar gemachtigde ter zitting ook heeft bevestigd. Gelet hierop was het college in beginsel bevoegd om appellante te ontslaan. Het college heeft voorts in redelijkheid tot beëindiging van de proefplaatsing kunnen overgaan. Daarnaast heeft het college appellante een aanbod gedaan om in dienst te treden bij P&O services en een lijst met vacatures op schaal 6 en 7 niveau overgelegd. Het college heeft onweersproken gesteld dat appellante niet op deze vacatures heeft gereflecteerd. Met inachtneming van alle sinds 27 april 2011 ondernomen acties komt de rechtbank tot het oordeel dat het herplaatsingsonderzoek zorgvuldig en volledig is geweest en dat het college geen overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse die tot het ontslag van appellante heeft geleid. Het college heeft dan ook in redelijkheid kunnen volstaan met de toekenning van aanspraak op een werkloosheidsuitkering en aanvulling door middel van een bovenwettelijke- en een eventuele nawettelijke uitkering.

3. In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft betoogd dat de Brummenlijn niet van toepassing is, nu door het intrekken van het ontslagbesluit van 29 april 2010 een nieuwe situatie is ontstaan. Het ontslagbesluit van 31 oktober 2012 dient te worden beoordeeld aan de hand van de op dat moment bestaande feiten en omstandigheden. Appellante heeft in dat verband aangevoerd dat op 31 oktober 2012 geen sprake was van onherstelbaar verstoorde verhoudingen, zodat het gegeven ontslag niet in stand kan blijven.

4.2.

Dit betoog slaagt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3139) geldt als uitgangspunt dat met de intrekking van een verleend ontslag het dienstverband herleeft in de vorm die het had voordat tot ontslagverlening werd besloten. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 30 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1835) is voor de vaststelling of het bestuursorgaan bevoegd is om tot ontslagverlening over te gaan de situatie ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit bepalend. Dat betekent dat acht moet worden geslagen op de relevante feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor de datum waarop het ontslagbesluit is genomen en dat de situatie op die datum bepalend is.

4.3.

Het college heeft om hem moverende redenen aanleiding gezien het ontslagbesluit van

29 april 2010 in te trekken. Het dienstverband van appellante is daarmee met terugwerkende kracht hersteld. Dat de rechtbank in de uitspraak van 27 april 2011 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel heeft gegeven over het aan het ontslagbesluit van 29 april 2010 ten grondslag liggende feitencomplex, doet er niet aan af dat bij de beoordeling van het ontslagbesluit van 31 oktober 2012 acht moet worden geslagen op de feiten en omstandigheden voorafgaand aan dit ontslagbesluit. Overigens zijn partijen het erover eens dat terugkeer van appellante naar haar team bij de afdeling Verkeer en Vervoer niet mogelijk is.

4.4.

Voorafgaand aan het ontslagbesluit van 31 oktober 2012 is appellante tewerkgesteld als medewerkster loket bij de afdeling Milieuvergunningen. Appellante functioneerde op deze werkplek weliswaar niet naar tevredenheid, maar van (onherstelbaar) verstoorde verhoudingen was geen sprake. Dit heeft tot gevolg dat het college ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit van 31 oktober 2012 niet bevoegd was om appellante te ontslaan met toepassing van artikel B.9, sub p, op andere dan in artikel B.9 van de CAP genoemde gronden. Het ontslag kan daarom niet in stand blijven.

4.5.

Het hoger beroep van appellante slaagt. Dit betekent dat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Omdat de aan het besluit klevende gebreken niet kunnen worden hersteld bij een nieuw besluit zal de Raad zelf in de zaak voorzien en het ontslagbesluit van 31 oktober 2012 herroepen.

5. Er bestaat aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellante, in bezwaar tot een bedrag van € 980,- in beroep tot een bedrag van € 980,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 april 2013;

- herroept het ontslagbesluit van 31 oktober 2012;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 399,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 2.940,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en M.T. Boerlage en

J.A.M. van den Berk als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2015.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) S.W. Munneke

HD