Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2724

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
14/104 MAW-G, 14/619 MAW-G
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2015:2725 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2015:2180.

Met de rechtbank ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat betrokkene vóór 13 maart 2001 met betrekking tot de schade actie had kunnen ondernemen in die zin dat hij voldoende zekerheid had over de voor de aansprakelijkheid relevante oorzaak van zijn klachten en het karakter ervan. Daarbij is het volgende van belang. Tot september 2002 is in geen van de medische documenten de stellige diagnose PTSS gesteld als oorzaak van de klachten van betrokkene; ook over een eventueel verband met zijn uitzending van Libanon zijn in de periode van 1993 tot maart 2002 uiteenlopende opvattingen geuit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/104 MAW-G, 14/619 MAW-G

Datum uitspraak: 2 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 december 2013, 13/6046 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat, voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Pronk-Wiltenburg. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2.

Betrokkene heeft van 27 juli 1983 tot 20 oktober 1983 als militair van het Nederlandse UNIFIL-bataljon onder leiding van de Verenigde Naties deelgenomen aan de missie in Libanon. Hij is met ingang van 1 oktober 1999 uit militaire dienst ontslagen.

1.3.

In 1993 is betrokkene meerdere keren opgenomen geweest in verband met psychische klachten. Tevens heeft hij in dat jaar op wekelijkse basis gesproken met majoor

P. Venhovens, psycholoog bij het Commando Landstrijdkrachten.

1.4.

Medio 1993 heeft psychiater M. Somers de volgende diagnose gesteld: “psychogene opwindingstoestand bij moeite om tot eigen levensinvulling te komen. Gebrek aan sociale vaardigheden. PTSS?” Op 6 september 1995 heeft psychiater A. ter Mors anamnestisch vastgesteld dat geen sprake is van PTSS.

1.5.

Op 10 september 2002 heeft A.E. Haan, gz-psycholoog in dienst van het Sinai-centrum te Amersfoort, bij betrokkene de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) gesteld. Deze diagnose is door prof. dr. H.J.C. van Marle, psychiater, op 5 maart 2003 bevestigd.

1.6.

Bij brief van 13 maart 2006 heeft betrokkene appellant aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van PTSS die hij als gevolg van voornoemde missie in Libanon heeft opgelopen.

1.7.

Appellant heeft met het oog op de bijzondere zorgplicht voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers besloten bij schadeclaims ten gevolge van incidenten die hebben plaatsgevonden tijdens crisisbeheersingsoperaties in Libanon geen beroep meer te doen op de absolute verjaringstermijn bedoeld in artikel 3:310, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

1.8.

Bij besluit van 24 oktober 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 juni 2013 (bestreden besluit), heeft appellant erkenning van aansprakelijkheid afgewezen. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat betrokkene meer dan vijf jaren vóór de aansprakelijkstelling op 13 maart 2006 bekend was met de schade en de mogelijk daarvoor aansprakelijke persoon, zodat de gestelde vordering is verjaard. Appellant heeft hierbij verwezen naar de adviezen van zijn medisch adviseur waaruit volgt dat betrokkene zelf reeds in 1993 een relatie heeft gelegd tussen zijn gezondheidstoestand en zijn uitzending naar Libanon.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van

24 oktober 2007 gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Zij heeft daartoe overwogen dat appellant zich ten onrechte op verjaring heeft beroepen. Op grond van de in de medische adviezen vermelde feiten en omstandigheden kon het betrokkene vóór 13 maart 2001 niet voldoende duidelijk zijn dat hij langdurige of blijvende ernstige gevolgen zou ondervinden van de tijdens zijn uitzending in Libanon meegemaakte traumatische gebeurtenissen, zodat hij met de aansprakelijkstelling van 13 maart 2006 binnen de termijn van vijf jaar in actie is gekomen.

3. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank het aanvangsmoment van de verjaringstermijn op onjuiste wijze heeft vastgesteld. Betrokkene had reeds in een 1993 voldoende mate van zekerheid over de voor de aansprakelijkheid relevante oorzaak van de klachten en het karakter ervan en had toen in actie kunnen komen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling ligt voor of de vordering tot vergoeding van schade ten tijde van de aansprakelijkstelling op 13 maart 2006 was verjaard. Het ligt op de weg van appellant om zijn stelling dat van verjaring sprake is aannemelijk te maken.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2675) zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar. Zowel bij aanspraken die gebaseerd zijn op een rechtspositioneel voorschrift als in geval van een aansprakelijkstelling voor geleden schade legt de Raad de aanvang van deze verjaringstermijn bij het moment waarop de ambtenaar met betrekking tot zijn rechtspositionele aanspraak dan wel zijn schade in actie had kunnen komen.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraken van 9 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1129 en ECLI:NL:CRVB:2015:1139, bestaat aanleiding om bij de beoordeling van de vraag wanneer de ambtenaar in actie had kunnen komen uit een oogpunt van eenvormige rechtstoepassing aansluiting te zoeken bij de verjaringsbepalingen in het BW en de uitleg die de Hoge Raad daaraan geeft. In dit geval gaat het dan in het bijzonder om artikel 3:310 van het BW dat betrekking heeft op rechtsvorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad.

4.4.

Ingevolge artikel 3:310, eerste lid, van het BW, voor zover hier van belang, verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op de datum waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon of instantie bekend is geworden.

4.5.

De woorden ‘bekend is geworden’ in artikel 3:310, eerste lid, van het BW moeten worden verstaan in de betekenis van: daadwerkelijke bekendheid met zowel de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon. Dit betekent dat het enkele vermoeden van het bestaan van schade onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade. Als sprake is van lichamelijke klachten - en de Raad ziet geen reden om daarover anders te oordelen bij psychische klachten - waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - pas aanwezig zijn wanneer deze oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnostiseerd. Vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 24 januari 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF0694).

4.6.

Met de rechtbank ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat betrokkene vóór 13 maart 2001 met betrekking tot de schade actie had kunnen ondernemen in die zin dat hij voldoende zekerheid had over de voor de aansprakelijkheid relevante oorzaak van zijn klachten en het karakter ervan. Daarbij is het volgende van belang. Tot september 2002 is in geen van de medische documenten de stellige diagnose PTSS gesteld als oorzaak van de klachten van betrokkene; ook over een eventueel verband met zijn uitzending van Libanon zijn in de periode van 1993 tot maart 2002 uiteenlopende opvattingen geuit. Psychiater Somers heeft in 1993/1994 bij beschouwing van de wijze waarop betrokkene over de feiten in Libanon sprak vraagtekens geplaatst bij de diagnose PTSS. De gebeurtenissen in 1983 leken volgens Somers eerder een manier om aandacht en zorg te krijgen dan een emotioneel aangrijpende gebeurtenis. Vervolgens heeft psychiater Ter Mors - naar aanleiding van de indruk van psycholoog Donker dat van PTSS sprake was - in 1995 anamnestisch geen PTSS vastgesteld. De behandeling van betrokkene is daarna afgestemd op problemen die verband hielden met zijn persoonlijkheid en zijn verbroken relatie. Over de periode van 1996 tot 2001 bevinden zich geen stukken in het dossier waaruit blijkt dat behandeling van betrokkene heeft plaatsgevonden. Uiteindelijk is pas in april 2002, nadat door betrokkene aan zijn huisarts

F. van Andel om een verwijzing naar het Centraal Militair Hospitaal was verzocht voor behandeling van PTSS, op basis van de werkhypothese PTSS een intake gestart, die in september 2002 uitmondde in de diagnose “PTSS, chronisch, met depressieve kenmerken”. Eerst op dat moment werd naar het oordeel van de Raad bij betrokkene aan het bekendheidsvereiste van artikel 3:310, eerste lid, van het BW voldaan.

4.7.

De Raad merkt hierbij nog op, dat het gegeven dat bij appellant zelf mogelijk in 1993 reeds een vermoeden heeft bestaan dat zijn klachten verband hielden met zijn uitzending en dat hij daarbij destijds wellicht ook over de mogelijkheid van PTSS heeft gesproken, niet als een bijzondere omstandigheid is te beschouwen die meebrengt dat reeds in 1993 aan het bekendheidsvereiste werd voldaan. Hiertoe overweegt de Raad, in lijn met zijn in 4.3 genoemde uitspraak ECLI:NL:CRVB:2015:1129, dat appellant geen ter zake deskundige is. Bovendien is onduidelijk hoe bestendig dit vermoeden bij betrokkene is geweest, zeker nu de aard van de klachten en de daarmee samenhangende problematiek, alsmede de behandeling van betrokkene na 1993 meermalen verschuiving hebben ondergaan.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat betrokkene appellant binnen vijf jaar nadat hij daadwerkelijk bekend was met de schade aansprakelijk heeft gesteld en dus op tijd in actie is gekomen. Appellant heeft zich ten onrechte op verjaring beroepen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet op het bepaalde in artikel 8:112, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht vervalt het voorwaardelijk ingestelde hoger beroep. Het is thans aan appellant inhoudelijk te beslissen over het vergoeden van schade.

5. Er is aanleiding om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 980,- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 478,- wordt geheven;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en K.J. Kraan en M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2015.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) B. Rikhof

HD