Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2708

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
13-08-2015
Zaaknummer
14/901 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv is terecht overgegaan tot terugvordering van een bruto bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2015/204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/901 ZW

Datum uitspraak: 12 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 december 2013, 13/1349 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en geantwoord op vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2015. Appellante en

mr. Mathoerapersad zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 5 oktober 2012 heeft het Uwv de uitkering van appellante op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 24 augustus 2012 beëindigd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat de maximale uitkeringsduur van 104 weken is bereikt. Bij besluit van

25 oktober 2012 heeft het Uwv van appellante een bedrag van € 13.493,81 teruggevorderd aan volgens het Uwv ten onrechte betaalde ZW-uitkering over de periode van 23 mei 2011 tot en met 25 augustus 2012. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat het Uwv over de periode van 21 mei 2011 tot 26 augustus 2012 naast een ZW-uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap of bevalling ook een ZW-uitkering heeft betaald nadat de uitkering van appellante op grond van de Werkloosheidswet (WW) in verband met haar ziekmelding was geëindigd.

1.2.

Appellante heeft tegen de besluiten van 5 oktober 2012 en 25 oktober 2012 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard en zijn de besluiten tot beëindiging van de ZW-uitkering en tot terugvordering van wat ten onrechte is betaald gehandhaafd. Volgens het Uwv is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering zou moeten worden afgezien.

2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De door haar geformuleerde beroepsgronden betreffen alleen de terugvordering. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat het Uwv appellante teveel uitkering heeft betaald en dat alleen ter discussie staat of het Uwv terecht is overgegaan tot terugvordering van het bedrag van € 13.493,81. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW verplicht is teveel betaalde uitkering terug te vorderen. Gelet op de hoogte van de door haar ontvangen bedragen in de periode van 23 mei 2011 tot en met 25 augustus 2012 heeft het appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij teveel aan uitkering ontving. Het Uwv heeft terecht een bruto terugvorderingsbedrag berekend en zijn berekening voldoende inzichtelijk gemaakt.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep alleen een onderbouwde beroepsgrond gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht een bruto terugvorderingsbedrag heeft berekend. Omdat aan haar teveel aan uitkering is betaald als gevolg van een fout van het Uwv, zou het Uwv de terugvordering moeten beperken tot een netto bedrag. Volgens appellante heeft het Uwv met de terugvordering van een bruto bedrag gehandeld in strijd met het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol).

3.2.

Het Uwv heeft zich in zijn verweer op het standpunt gesteld dat altijd een bruto bedrag moet worden teruggevorderd, ook in de situatie waarin een terugvordering het gevolg is van een fout van het Uwv. In het kader van de invordering wordt vervolgens rekening gehouden met het gegeven dat bij terugbetaling in een lopend fiscaal jaar kan worden volstaan met betaling van een lager bedrag omdat loonheffing kan worden verrekend. Het Uwv heeft appellante met een brief van 26 oktober 2012 toegelicht dat in verband met die verrekening bij terugbetaling uiterlijk op 31 december 2012 met overmaking van een bedrag van

€ 12.678,69 kan worden volstaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de Beleidsregel terug- en invordering van 31 maart 1999 (Stcrt. 1999, nr. 75, blz. 15) heeft het Uwv zijn beleid neergelegd dat wat teveel aan uitkering is betaald bruto wordt teruggevorderd, maar dat met terugbetaling van een netto bedrag kan worden volstaan als die terugbetaling plaatsvindt binnen hetzelfde lopende belastingboekjaar als waarin de onverschuldigde betaling heeft plaatsgevonden. Uit onder meer de door de rechtbank genoemde uitspraak van de Raad van 29 april 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AT5070) blijkt dat dit beleid in overeenstemming is met vaste rechtspraak van de Raad (zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:898). In dat verband is niet van betekenis of aan de onverschuldigde betaling een fout van het Uwv of een verzuim van een betrokkene ten grondslag heeft gelegen.

4.2.

Bij de besluiten van 1 april 2011 (toekenning van ziekengeld in verband met arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap of bevalling) en 17 mei 2011 (toekenning van ziekengeld na eindiging van de WW-uitkering) zijn aan appellante bruto uitkeringen toegekend. De bedragen die het Uwv aan loonheffing heeft afgedragen, gelden als ten behoeve van appellante betaald. De stelling van appellante dat de terugvordering van het onverschuldigd aan haar betaalde bedrag een schending oplevert van artikel 1 van het Eerste Protocol is niet juist, omdat niet kan worden gezegd dat door de terugvordering van een teveel ontvangen bedrag een bestaand eigendomsrecht wordt ontnomen

(vergelijk ECLI:NL:CRVB:2012:BW4433).

4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv terecht is overgegaan tot terugvordering van een bruto bedrag. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015.

(getekend) M. Greebe

(getekend) V. van Rij

AP