Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2703

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
13-08-2015
Zaaknummer
14/121 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Terecht geconcludeerd dat appellante in staat moet worden geacht de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/121 ZW

Datum uitspraak: 12 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 november 2013, 13/3090 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft op die nadere stukken gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 3 augustus 2012 heeft het Uwv geweigerd appellante per 11 september 2012 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Per 1 september 2012 is aan appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanuit de WW heeft appellante zich op 21 januari 2013 telefonisch ziek gemeld. Naar aanleiding daarvan is appellante opgeroepen voor het spreekuur van een verzekeringsarts op 8 maart 2013. De verzekeringsarts heeft appellante onderzocht, en vervolgens in zijn rapport van 8 maart 2013 geconcludeerd dat appellante per 11 maart 2013 in staat is haar maatgevende arbeid te verrichten.

1.2.

Bij besluit van 8 maart 2013 heeft het Uwv appellante per 11 maart 2013 hersteld verklaard in het kader van de Ziektewet (ZW).

1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 maart 2013. Nadat appellante op 12 april 2013 op het spreekuur van een verzekeringsarts bezwaar en beroep is verschenen, heeft deze arts in zijn rapport van dezelfde datum geconcludeerd dat het besluit van 8 maart 2013 op een juiste medische grondslag berust.

1.4.

Bij besluit van 15 april 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 8 maart 2013 ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante niet met objectieve medische gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat haar beperkingen zijn toegenomen sinds de beoordeling in het kader van de Wet WIA. Appellante moet in staat worden geacht ten minste één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies (productiemedewerker, administratief medewerker, telefonist) te vervullen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante, onder overlegging van diverse gegevens van medische aard, haar standpunt gehandhaafd dat zij ten onrechte per 11 maart 2013 hersteld is verklaard.

3.2.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 mei 2015 bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is geweest. Beide artsen hebben appellante gezien. Er is rekening gehouden met informatie van de huisarts, en de behandelende specialisten W. van Doorn, orthopeed, en M. Mutsaers, KNO-arts. Wat zijdens appellante aan medische gegevens is ingebracht, kan niet afdoen aan het oordeel van de verzekeringsartsen, en heeft overigens voor een groot deel betrekking op latere data dan nu in geding. Ter zitting is gebleken dat op grond van deze gegevens vanaf medio 2014 alsnog een ZW-uitkering is toegekend. Deze toekenning heeft geen betekenis voor de medische toestand van appellante op 11 maart 2013. Aan alle klachten van appellante is aandacht besteed en deze zijn voldoende meegewogen. Terecht is geconcludeerd dat appellante in staat moet worden geacht de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies te vervullen.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en E.W. Akkerman en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015.

(getekend) M. Greebe

(getekend) G.J. van Gendt

UM