Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2698

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
14/5038 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening toegekende studiefinanciering, in die zin dat appellant als thuiswonende studerende is aangemerkt. Voldoende feitelijke grondslag dat appellant niet feitelijk woonachtig is op het gba-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5038 WSF

Datum uitspraak: 5 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

30 juli 2014, 14/861 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van Moll, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Moll. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft bij besluit van 22 oktober 2011 met ingang van 1 januari 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend gekregen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is bij besluit van 20 oktober 2012 verlengd tot en met juli 2013. Bij besluit van 27 juli 2013 is ook voor de periode vanaf 1 augustus 2013 studiefinanciering toegekend.

1.2.

Op 27 september 2013 hebben twee controleurs in opdracht van de minister een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellant op dat moment in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) was ingeschreven om te controleren of hij op dit adres woonachtig is. Daartoe is in de desbetreffende woning onderzoek gedaan en is een verklaring van betrokkene opgenomen. Van het huisbezoek is op 2 oktober 2013 een rapport opgemaakt.

1.3.

De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van het onder 1.2 genoemde rapport de aanvankelijk over de periode februari 2012 tot en met september 2013 aan appellant toegekende studiefinanciering bij besluit van 18 oktober 2013 herzien, in die zin dat appellant vanaf 1 februari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het over deze periode aan appellant te veel betaalde bedrag van € 3.850,94 is daarbij van hem teruggevorderd.

1.4.

De minister heeft het tegen het besluit van 18 oktober 2013 gemaakte bezwaar bij besluit van 12 februari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit het door de controleurs opgemaakte rapport is gebleken dat appellant niet woont op het adres waaronder hij in de gba is ingeschreven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het rapport voldoende feitelijke grondslag voor het door de minister ingenomen standpunt dat appellant niet feitelijk woonachtig is op het gba-adres. De rechtbank heeft daarbij onder meer vastgesteld dat sprake is van opvallende tegenstrijdigheden in verschillende door appellant afgelegde verklaringen, zowel over hoe lang hij op het gba-adres woonde als over de wijze van voldoen van de huur. De tegenstrijdigheden maken de verklaringen van appellant, waaronder de verklaring dat hij in de kamer woont, ongeloofwaardig. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank te meer nu ook de zus en de moeder van appellant inconsistente verklaringen hebben afgelegd. Alle gegevens tezamen brengen de rechtbank tot de conclusie dat op grond van de resultaten van het onderzoek aannemelijk is dat appellant niet werkelijk op de door hem getoonde zolderkamer woont. De door eiser overgelegde verklaringen hebben de rechtbank niet overtuigd van het feit dat eiser wèl woonachtig is op het gba-adres. De rechtbank merkt in verband met deze verklaringen op dat van een groot aantal van de door appellant opgevoerde getuigen ook verklaringen in het dossier liggen, waarin het tegenovergestelde wordt beweerd. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van hetgeen door de controleurs uit de mond van familieleden en buurtgenoten van appellants ouders en zijn zus is opgetekend. Met hetgeen appellant tegen de bevindingen van de controleurs heeft ingebracht heeft hij niet in relevante mate twijfel doen rijzen aan de juistheid van de conclusie dat appellant niet op het gba-adres woonachtig is. Aan de in beroep overgelegde getuigenverklaringen, waarin deze aangeven dat zij appellant regelmatig hebben opgehaald en afgezet bij het gba-adres, komt onvoldoende gewicht toe, nu deze verklaringen niet afkomstig zijn van personen die objectief staan tegenover de stellingen van appellant en zijn belangen. In het licht van hetgeen aan het huisbezoek vooraf is gegaan acht de rechtbank het gegeven dat appellant in de woning aanwezig was toen de controleurs daar aankwamen van weinig belang. Onder de in het rapport beschreven omstandigheden kan appellant immers gewaarschuwd zijn. Mogelijk heeft hij zich naar het gba-adres begeven, omdat hij een controle verwachtte. Om dezelfde reden heeft de minister geen waarde hoeven hechten aan de in de zolderkamer aangetroffen verzorgingsspullen en de enkele daar aanwezige spullen die mogelijk van appellant waren.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de beschadiging van de lattenbodem van het bed, als gevolg waarvan appellant daar doorheen zakte toen hij op het bed ging zitten, ten onrechte is beschouwd als bewijs van de stelling dat appellant niet de getoonde kamer bewoonde. Appellant heeft erop gewezen dat in de woning veel spullen van hem zijn aangetroffen. De stellingen hieromtrent zijn echter uitsluitend beoordeeld in het kader van de vraag of appellant met de aanwezigheid van deze spullen voldoende tegenbewijs heeft geleverd, terwijl de aanwezigheid van deze spullen primair een rol hoort te spelen bij de beoordeling van de op de minister rustende bewijslast. Appellant betwist bij gebrek aan wetenschap dat er meerdere controlepogingen zijn geweest. Uit de rapportage blijkt slechts van één eerder bezoek, tweeënhalve maand voorafgaand aan het huisbezoek op 27 september 2013. Het eerdere huisbezoek vormt geen aanwijzing dat appellant mogelijk is geïnformeerd over het huisbezoek. De verklaring over hoe lang appellant bij zijn zus woonde is juist, nu hij ook voor januari 2012 ingeschreven heeft gestaan op het adres waarop zijn zus was ingeschreven. Wel degelijk is, gelet ook op wat hij daarover op de hoorzitting heeft verklaard, aannemelijk dat appellant de gestelde vraag tijdens het huisbezoek verkeerd heeft begrepen. De vraag over de huurpenningen heeft appellant onjuist beantwoord; dat heeft hij tijdens de hoorzitting erkend, maar ook hiervoor heeft appellant een aannemelijke verklaring gegeven. De diverse getuigen van wie verklaringen in het (niet door dezen ondertekende) rapport zijn opgenomen, hebben later verklaard dat zij deze verklaringen niet zo hebben afgelegd ten overstaan van de controleurs. Tot slot is onbegrijpelijk het oordeel dat de overgelegde verklaringen van de heren [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] niet afkomstig zouden zijn van personen die objectief tegenover de belangen van appellant staan. Genoemde personen zijn niet met appellant bevriend, maar zij kennen hem vanuit hun professionele hoedanigheid.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidt met ingang van

10 december 2011, wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5. Voorts is in dit artikel bepaald dat onder studiefinancieringstijdvak wordt verstaan een kalenderjaar of een gedeelte daarvan waarop de toekenning van studiefinanciering betrekking heeft, met dien verstande dat deze periode ten minste één kalendermaand is.

4.1.2.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gba staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gba staat of staan ingeschreven.

4.1.3.

De vraag waar de studerende woont als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.1.4.

Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de gba.

4.2.

Met de rechtbank en op grond van de door haar gebezigde overwegingen is de Raad van oordeel dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ten tijde van de controle niet woonde op het adres waaronder hij op dat moment in de gba was ingeschreven. De rechtbank heeft bij haar beoordeling (veel) waarde mogen hechten aan het uitgebreide rapport, de eerste verklaring van de moeder van appellant en de eerste verklaringen van buurtbewoners, zowel in de buurt van het gba-adres van appellant, als in de buurt van het adres waar appellants ouders wonen. De gegevens in het rapport bieden voldoende steun voor de door de controleurs en de minister getrokken conclusie. De minister heeft in zoverre voldaan aan de op hem rustende bewijslast.

4.3.

Hetgeen appellant hier tegenover heeft gesteld, en de latere weerspreking door appellants moeder en door de buren van zowel het gba-adres als het ouderlijk adres van hun eerdere verklaringen, is onvoldoende. Over zijn eigen verklaringen heeft appellant ter zitting verklaard dat hij aanvankelijk niet de waarheid heeft gesproken om zijn zus niet in problemen te brengen, maar in beroep heeft hij verklaard dat hij meende dat het hebben van een huurovereenkomst noodzakelijk was om voor een uitwonendenbeurs in aanmerking te komen. Een en ander, los van wat daar verder van zij, komt zijn geloofwaardigheid niet ten goede en de rechtbank heeft deze nadere verklaringen dan ook terzijde mogen schuiven. Er is daarnaast geen aanleiding de eerste verklaringen van respectievelijk appellants moeder en de verschillende buren niet te volgen. Deze verklaringen zijn onbevangen afgelegd en zij laten alle aan duidelijkheid niets te wensen over. De latere verklaring van appellants moeder is daarentegen weinig geloofwaardig, nu deze bijvoorbeeld - ook - de mededeling bevat dat zij niet weet op welk adres haar zoon woont. De nadere verklaringen van de buren overtuigen niet. Daarbij kan worden vastgesteld dat deze deels afkomstig zijn van buren bij wie de controleurs tijdens hun onderzoek geen navraag hebben gedaan, maar die wel verklaren dat zij verrast waren door het onaangekondigde bezoek van de controleurs. De verklaringen van de oud-collega’s van appellant zijn, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, wel voldoende objectief, maar zij leggen, gelet op de overige gegevens, onvoldoende gewicht in de schaal om op basis daarvan aan te nemen dat appellant wel op het gba-adres woonde.

4.4.

Wat is overwogen in 4.2 en 4.3 leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Nu de aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het bestreden besluit in stand blijft is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) V. van Rij

AP