Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2697

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
13/710 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade ten gevolge van de onrechtmatigheid van het besluit, waarbij is besloten geen loonsanctie op te leggen aan de werkgeefster van betrokkene. Het Uwv heeft de onrechtmatigheid daarvan erkend. Tussen dit onrechtmatige besluit en de door betrokkene opgevoerde schadeposten bestaat niet een zodanig verband dat zij daaraan kunnen worden toegerekend. Geen sprake van overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/710 WIA, 13/1080 WIA

Datum uitspraak: 5 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
8 januari 2013, 12/1176 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. drs. P. Rijnsburger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Ook het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2015. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Rijnsburger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is laatstelijk werkzaam geweest als operator. Uit dit werk is hij op 15 juli 2009 uitgevallen met rugklachten.

1.2.

Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 24 mei 2011 vastgesteld dat voor betrokkene per einde wachttijd, 13 juli 2011, geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Bij hetzelfde besluit heeft het Uwv te kennen gegeven dat de werkgeefster van betrokkene voldoende heeft gedaan aan de
re-integratie van betrokkene en dat zij daarom het loon niet langer hoeft door te betalen.
Het Uwv heeft dus, met andere woorden, besloten geen loonsanctie op te leggen.

1.3.

Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 mei 2011 voor zover het Uwv daarbij heeft besloten geen loonsanctie op te leggen aan zijn werkgeefster.

1.4.

Bij beschikking van 28 juli 2011 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen betrokkene en zijn werkgeefster per 1 november 2011 ontbonden op grond van een verandering van de omstandigheden, zonder dat betrokkene daarvan een verwijt kan worden gemaakt, onder toekenning van een vergoeding van € 80.000,- aan betrokkene, ten laste van zijn werkgeefster.

1.5.

Vanaf 1 november 2011 heeft betrokkene een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.

1.6.

Bij besluit van 8 november 2011 heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 mei 2011 gegrond verklaard. Het Uwv heeft in dit besluit overwogen dat twee maanden voor het einde van de wachttijd bekend was geworden dat betrokkene weer geschikt was voor de maatgevende arbeid. Dat had voor zijn werkgeefster aanleiding moeten zijn om hem op korte termijn het werk te laten hervatten. Dit is echter niet gebeurd en dat kan als een tekortkoming worden aangemerkt. Er is dus op onjuiste gronden geen loonsanctie opgelegd. Gelet op artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA is het echter niet mogelijk na het verstrijken van de wachttijd alsnog een loonsanctie op te leggen. Het Uwv heeft daaraan toegevoegd dat het betrokkene vrij staat, als hij meent hierdoor schade te zullen leiden, een gemotiveerd verzoek om schadevergoeding in te dienen.

1.7.

Op 15 november 2011 heeft betrokkene het Uwv verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen ter zake van gederfd inkomen doordat hij geen aanspraak heeft kunnen maken op wedertewerkstelling tegen 100% loondoorbetaling, griffierecht dat hij heeft moeten betalen in een voorlopige voorzieningenprocedure, gederfd inkomen doordat hij eerder aanspraak op een uitkering op grond van de WW heeft moeten maken en advocaatkosten die hij in de ontslagprocedure heeft moeten maken. Later heeft betrokkene daar pensioenschade en immateriële schade vanwege de lange afhandelingsduur aan toegevoegd.

1.8.

Bij besluit van 24 april 2012 heeft het Uwv het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing. Bij besluit van 15 oktober 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

1.9.

Betrokkene heeft niet gedurende de maximale termijn, die zou zijn geëindigd op
31 augustus 2014, een uitkering op grond van de WW ontvangen. Hij heeft zich vanuit de WW ziek gemeld en vanaf 8 april 2014 een uitkering op grond van de Wet WIA ontvangen; eerst een loongerelateerde WGA-uitkering en vanaf 2 juli 2014 een loonaanvullingsuitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv het bezwaar van betrokkene, voor zover dit betrekking had op de afwijzing van schadevergoeding in verband met gederfd inkomen doordat hij geen aanspraak heeft kunnen maken op wedertewerkstelling tegen 100% loondoorbetaling, griffierecht, advocaatkosten, pensioenschade en immateriële schade, terecht ongegrond verklaard. Het beroep heeft de rechtbank in zoverre ongegrond verklaard. Ten aanzien van de door betrokkene gestelde schade als gevolg van gederfd inkomen doordat hij eerder aanspraak op een uitkering op grond van de WW heeft moeten maken, heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv hierop nader moet beslissen. De rechtbank heeft het beroep in zoverre gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv opnieuw dient te beslissen.

3.1.

Betrokkene heeft in hoger beroep bepleit dat hij alsnog in aanmerking dient te worden gebracht voor alle onderdelen van de door hem geclaimde schadevergoeding.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep vernietiging van de aangevallen uitspraak bepleit voor zover het gaat om de door betrokkene gestelde schade als gevolg van gederfd inkomen doordat hij eerder aanspraak op een uitkering op grond van de WW heeft moeten maken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil zijn de volgende door betrokkene opgevoerde schadeposten:

a. gederfd inkomen doordat hij geen aanspraak heeft kunnen maken op wedertewerkstelling met 100% loondoorbetaling, door betrokkene begroot op

12 maanden x 30% x € 3.456,43 (maatmanloon) = € 12.443,15;

griffierecht ter hoogte van € 41,-, door betrokkene betaald in verband met een door hem gedaan - en later ingetrokken - verzoek om een voorlopige voorziening naar aanleiding van het besluit van het Uwv van 24 mei 2011;

gederfd inkomen door het voortijdig wegvallen van de ontslagbescherming, waardoor voortijdig een einde is gekomen aan zijn dienstverband en betrokkene achteneenhalve maand eerder aanspraak heeft moeten maken op een WW-uitkering dan anders het geval zou zijn geweest, door betrokkene begroot op 70% x € 3.456,43 x 8,5 =

€ 20.565,76;

advocaatkosten die betrokkene heeft gemaakt in de ontslagprocedure ter hoogte van

€ 2.380,-;

pensioenschade in de vorm van gederfde pensioenopbouw over de periode van

31 oktober 2011 tot en met 31 augustus 2012;

immateriële schade in verband met de lange duur van de procedure.

4.2.

Voor het kader waarbinnen een verzoek van een werknemer om vergoeding van schade die beweerdelijk is geleden als gevolg van een loonsanctiebesluit of het niet tijdig nemen van een dergelijk besluit moet worden beoordeeld, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 28 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:298).

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 14 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3348) is een beslissing over de vergoeding van beweerdelijk geleden schade een zelfstandig schadebesluit, indien deze schade het gevolg is van een besluit waartegen bezwaar en beroep mogelijk is (materiële connexiteit) en wordt het (hoger) beroep tegen een zelfstandig schadebesluit beoordeeld door de bestuursrechter die bevoegd is te oordelen over het (hoger) beroep tegen het schadeveroorzakende besluit (processuele connexiteit).

4.4.

Betrokkene heeft aan zijn inleidend verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade de onrechtmatigheid van het (primaire) besluit van 24 mei 2011 ten grondslag gelegd. Daarmee is sprake van processuele en gestelde materiële connexiteit.

4.5.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013.

4.6.

Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit als het onderhavige zoekt de Raad aansluiting bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en voorts geldt dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij aan het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (uitspraak van 28 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611).

4.7.

Niet in geschil is dat het besluit van 24 mei 2011 onrechtmatig is voor zover daarbij is besloten geen loonsanctie op te leggen aan de werkgeefster van betrokkene. Het Uwv heeft immers bij het besluit op bezwaar van 8 november 2011 de onrechtmatigheid daarvan erkend.

4.8.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of tussen dit onrechtmatige besluit en de door betrokkene opgevoerde schadeposten een zodanig verband bestaat dat zij daaraan kunnen worden toegerekend.

4.9.

Het grootste deel van de schadeclaim van betrokkene - de in 4.1 genoemde posten
a, c en e - berust op de gedachte dat wanneer het Uwv een loonsanctie zou hebben opgelegd zijn werkgeefster verplicht zou zijn geweest hem zijn loon volledig door te betalen, zijn arbeidsovereenkomst pas later had kunnen worden beëindigd, hij even zoveel langer pensioen had kunnen opbouwen en hij pas even zoveel later een beroep had hoeven te doen op de WW. Betrokkene kan hierin niet worden gevolgd.

4.9.1.

Bij het opleggen van een loonsanctie als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA gaat het om verlenging van het tijdvak gedurende welk de verzekerde jegens de werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), met als doel dat de werkgever zijn tekortkomingen ten aanzien van zijn
re-integratieverplichtingen herstelt. Het gaat hier om een verlenging met ten hoogste 52 weken. Op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW - voor zover hier van belang - behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdsruimte vastgestelde loon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht, omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte daartoe verhinderd was.

4.9.2.

Zoals duidelijk naar voren komt uit de tekst van artikel 7:629, eerste lid, van het BW, is deze bepaling uitsluitend van toepassing wanneer de werknemer door ziekte niet in staat is zijn werk te verrichten. Gelet op de koppeling die artikel 25, negende lid, van de WIA voor de verlenging van het in dat artikel genoemde tijdvak maakt met artikel 7:629 van het BW kan ook een loonsanctie slechts aan de orde komen bij ziekte van de werknemer.

4.9.3.

Naar ter zitting is bevestigd, is tussen partijen niet in geschil dat betrokkene met ingang van 18 mei 2011, ongeveer twee maanden voor het einde van de wachttijd ingevolge de Wet WIA, weer geschikt was voor zijn eigen werk bij zijn werkgeefster. Derhalve bestond, anders dan door het Uwv bij het opstellen van het besluit van 8 november 2011 kennelijk is voorondersteld, geen ruimte voor het opleggen van een loonsanctie. Dat werkgeefster betrokkene zijn werk feitelijk niet heeft laten hervatten, maakt dit niet anders.

4.9.4.

Gelet op het feit dat betrokkene met ingang van 18 mei 2011 weer geschikt was voor zijn eigen werk kon hij ook geen aanspraak meer maken op de bijzondere ontslagbescherming bij ziekte. Het in strijd met de wettelijke bepalingen opleggen van een loonsanctie had dit niet anders gemaakt.

4.9.5.

Aangenomen mag worden dat de werkgeefster van betrokkene, wanneer het Uwv een loonsanctie had opgelegd, hierin niet had berust en deze loonsanctie had aangevochten. Gelet op wat in 4.9.1 tot en met 4.9.3 is overwogen mag voorts worden aangenomen dat de werkgeefster er daarbij in geslaagd zou zijn de loonsanctie van tafel te krijgen, nu immers de wettelijke basis voor een loonsanctie ontbrak. Op die grond zou de werkgeefster dus niet verplicht zijn geweest het loon door te betalen

4.9.6.

Gelet op de in 4.9.4 en 4.9.5 getrokken conclusies kan niet worden gezegd dat tussen het onrechtmatige besluit en de in 4.1 genoemde schadeposten a, c en e een zodanig verband bestaat dat zij daaraan kunnen worden toegerekend.

4.10.

Het door betrokkene geclaimde griffierecht - de in 4.1 onder b genoemde post - heeft betrokkene moeten betalen in een voorlopige voorzieningenprocedure hangende zijn bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2011. Betrokkene wilde met deze voorlopige voorzieningenprocedure bereiken dat het Uwv de opdracht zou krijgen nog voor einde wachttijd alsnog een loonsanctie op te leggen. Hij heeft zijn verzoek om een voorlopige voorziening op 10 juni 2011 bij de rechtbank ingediend en er daarbij op aangedrongen dat de voorzieningenrechter uiterlijk op 12 juli 2011 op dit verzoek zou beslissen. Toen het voor de rechtbank niet mogelijk bleek voor einde wachttijd een zitting voor behandeling van de voorlopige voorziening te plannen, heeft betrokkene het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Betrokkene heeft de rechtbank verzocht het griffierecht, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, terug te betalen. De rechtbank heeft hiervoor geen aanleiding gezien. Niet kan worden gezegd dat tussen het onrechtmatige besluit van het Uwv en deze kosten een zodanig verband bestaat dat zij daaraan kunnen worden toegerekend.

4.11.

Voor de door betrokkene geclaimde advocaatkosten die hij heeft gemaakt in de procedure bij de kantonrechter - de in 4.1 onder d genoemde post -, is van belang dat de werkgeefster van betrokkene eerder bij Uwv Werkbedrijf toestemming heeft gevraagd om de arbeidsverhouding met betrokkene op te zeggen in verband met langdurige arbeidsongeschiktheid. Uwv Werkbedrijf heeft de werkgeefster bij besluit van 22 juni 2011 de gevraagde toestemming onthouden, omdat niet aannemelijk was dat betrokkene ongeschikt was voor zijn functie. Deze opstelling van Uwv Werkbedrijf was in lijn was met het gegeven dat, zoals in 4.9.3 overwogen, betrokkene met ingang van 18 mei 2011 weer geschikt was voor zijn werk bij werkgeefster. Vervolgens is, zoals in 1.4 overwogen, per 1 november 2011 de arbeidsovereenkomst ontbonden door de kantonrechter. Het betrof hier, naar ter zitting door betrokkene is bevestigd, een geregelde ontbinding. Betrokkene heeft klaarblijkelijk geen wedertewerkstelling gevorderd, terwijl dit uitgaande van zijn geschiktheid voor zijn werk en ook gezien de bezwaren die hij heeft aangevoerd tegen het niet opleggen van een loonsanctie wel in de rede had gelegen. De kosten die betrokkene in dit verband heeft gemaakt kunnen onder deze omstandigheden niet anders worden gezien dan als kosten die betrokkene heeft gemaakt om te komen tot een geregelde ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst. Niet kan worden gezegd dat tussen het onrechtmatige besluit van het Uwv en deze kosten een zodanig verband bestaat dat zij daaraan kunnen worden toegerekend.

4.12.

Aangenomen moet worden dat betrokkene met de door hem opgevoerde post immateriële schade wegens de lange duur van de procedure - de in 4.1 onder f genoemde
post - het oog heeft gehad op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.12.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak is verder overwogen dat de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade is gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

4.12.2.

In het geval van betrokkene zijn vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 4 juni 2012 tot de datum van deze uitspraak nog geen vier jaren verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden.

5. In wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.9.6 ligt besloten dat het hoger beroep van het Uwv slaagt. Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.12.2 volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak geheel vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2012 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en A.I. van der Kris en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015.

(getekend) M. Greebe

(getekend) V. van Rij

HD