Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2692

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
13/5466 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde aanvraag AAW-uitkering. Voorafgaand aan de aanvraag: geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Voor de toekomst: appellante heeft de wachttijd als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW niet vervuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/5466 WAJONG

Datum uitspraak: 31 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 september 2013, 13/710 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R.E. Temmen, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1965, heeft op 14 oktober 2008 het Uwv verzocht haar een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen. Deze aanvraag is bij besluit van 29 januari 2009 afgewezen, omdat appellante niet voldoet aan de voorwaarden om als jonggehandicapte te worden beschouwd. Een verzekeringsarts van het Uwv is bij een weging van de gegevens uit dossier en anamnese en rekening houdend met de eigen bevindingen tot de conclusie gekomen dat er bij appellante in de jeugdjaren sprake is geweest van een traumatiserende leefsituatie waardoor er sprake was van grote sociale en psychosociale problematiek. Hij kan echter niet concluderen dat er bij appellante voor het 17e jaar sprake was van een ontwikkelingsstoornis in de vorm van een psychische of psychiatrische aandoening dan wel in de vorm van ziekte en/of gebrek. Een dergelijke (psychische) aandoening lijkt pas te zijn ontstaan in 1985, als appellante eigenlijk voor de eerste keer rust, veiligheid en geborgenheid in haar leven kent. Appellante komt dan ook onder behandeling van een psychiater, een behandeling die - zij het met onderbrekingen - tot op heden voortduurt. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van

12 maart 2009 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er bij appellante sprake is van zodanige ernstige psychiatrische problematiek nu of in het verleden dat hierdoor op haar 17e jaar als gevolg van ziekte of gebrek beperkingen voor het verrichten van arbeid bestonden. De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 november 2009, ECLI:NL:RBBRE:2009:4368, vastgesteld dat de afwijzing van de aanvraag van appellante voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, gezien de datum waarop de aanspraak betrekking heeft, 21 januari 1983, inhoudelijk beoordeeld dient te worden aan de hand van de bepalingen van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW), zoals deze luidden tot 1 januari 1998. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten de aanvraag van appellante af te wijzen, nu appellante op en na 21 januari 1983 niet als arbeidsongeschikt kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 12 maart 2009 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.2.

Bij brief van 11 oktober 2012 heeft appellante het Uwv opnieuw verzocht om haar een Wajong-uitkering toe te kennen. Daarbij heeft zij een rapport van psychiater J.J. van de Putte, een brief van haar huisarts S. Schellekens en een beschrijving van de gezondheidsomstandigheden van haar vader overgelegd.

1.3.

Bij besluit van 1 november 2012 heeft het Uwv afwijzend beslist op de als herhaalde aanvraag beschouwde brief van 11 oktober 2012. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die ertoe nopen om terug te komen van het besluit van 29 januari 2009.

1.4.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 17 januari 2013 (bestreden besluit), onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv, ongegrond verklaard. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de aangevoerde argumenten en overgelegde documenten geen aanleiding gezien om terug te komen van de eerdere beoordeling. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep had appellante mogelijk wel al op haar 17e en/of 18e jaar psychische klachten, maar is uit deze stukken geenszins gebleken dat er ook toen al sprake was van beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het besluit van

12 maart 2009 in rechte onaantastbaar is geworden, dat het verzoek van appellante van

11 oktober 2012 moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 12 maart 2009, waarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 januari 2009 ongegrond is verklaard en dat niet in geschil is dat het toetsingskader in deze zaak wordt bepaald door artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met het Uwv is de rechtbank voorts van oordeel dat de medische stukken die appellante bij de herhaalde aanvraag heeft gevoegd geen nieuw licht werpen op de beoordeling die door het Uwv aan het besluit van 12 maart 2009 ten grondslag is gelegd. Volgens de rechtbank is er dan ook geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en was het Uwv daarom bevoegd met toepassing van dat artikel het verzoek van appellante om terug te komen van dat besluit af te wijzen. De wijze waarop het Uwv van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, kon de toetsing van de rechtbank doorstaan.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat uit de bij de herhaalde aanvraag overgelegde medische stukken, met name uit het rapport van psychiater Van de Putte, blijkt dat zij al voor haar 17e jaar arbeidsbeperkingen had als gevolg van ziekte of gebrek. Deze medische stukken werpen daarom wel een nieuw licht op de beoordeling die aan het besluit van 12 maart 2009 ten grondslag is gelegd en geven aanleiding om terug te komen van dat besluit.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, moet een aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering, naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Awb), dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid

(Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.

4.2.

In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.

4.3.

Zoals onder 4.1 is overwogen, moet de aanvraag van appellante naar zijn strekking worden beoordeeld. Ter ondersteuning van haar aanvraag heeft appellante, onder verwijzing naar onder andere het rapport van psychiater Van de Putte, gesteld dat zij sinds haar 14e jaar beperkingen ondervindt als gevolg van een posttraumatische stressstoornis en een chronische angststoornis. De aanvraag van appellante van 11 oktober 2012 is een herhaling van de aanvraag waarop het Uwv bij besluit van 12 maart 2009 heeft beslist en is, nu appellante stelt nog steeds onder behandeling te zijn en nog steeds medicijnen te slikken, er kennelijk op gericht dat het Uwv zowel voor de periode voorafgaand aan haar brief van 11 oktober 2012 als voor de periode erna terugkomt van dit besluit. Een Wet Amber-beoordeling is in deze zaak niet aan de orde, nu de Wet Amber eerst per 29 december 1995 in werking is getreden. Vastgesteld moet worden dat het Uwv de aanvraag van appellante niet heeft beoordeeld als een herzieningsverzoek voor de periode na de aanvraag in haar brief van 11 oktober 2012. Er zijn echter voldoende gegevens beschikbaar om tot een eindoordeel te komen.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat wat appellante heeft vermeld bij haar aanvraag en in de bezwaarfase naar voren heeft gebracht, niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, overwogen dat de medische stukken die appellante bij haar aanvraag heeft gevoegd geen nieuw licht werpen op de medische situatie van appellante rond haar 17e en 18e jaar. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is dat wat psychiater Van de Putte in zijn rapport over de behandeling en medicatie van appellante heeft vermeld enkel gebaseerd op dat wat appellante hem zelf heeft verteld en is dit niet nader onderbouwd met objectief medische gegevens. Met de rechtbank wordt geen aanleiding gezien deze beoordeling voor onjuist te houden. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv bevoegd was met toepassing van artikel 4:6 van de Awb het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 12 maart 2009, wat betreft het verleden, af te wijzen. Er is geen reden de rechtbank niet te volgen in haar oordeel dat de uitoefening van die bevoegdheid op rechtens juiste wijze heeft plaatsgevonden.

4.5.

Voor zover de aanvraag betrekking had op de toekomst, wordt geconcludeerd dat er geen plaats is voor besluitvorming door het Uwv over eventuele aanspraken van appellante op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als door haar gewenst voor de periode na de aanvraag van

11 oktober 2012. Vast staat immers dat appellante de wachttijd als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW niet heeft vervuld.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) W. de Braal

NK