Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2689

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
14/311 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering IVA-uitkering. WGA-vervolguitkering (35 tot 45%). Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde en in de FML neergelegde beperkingen. Geschiktheid voor de voorgehouden voorbeeldfuncties. Het Uwv heeft de WGA-vervolguitkering terecht gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 4 van de Wet WIA, dat de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt moet zijn om een recht op een IVA-uitkering te doen ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/311 WIA

Datum uitspraak: 7 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

11 december 2013, 13/447 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. M.R.V.L. Kicken. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als machinist minigraver en is met ingang van 3 april 2006 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

Bij besluit van 19 augustus 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 1 juni 2010 geen recht meer heeft op een IVA-uitkering, maar op een
WGA-loonaanvullingsuitkering. Daarbij is de mate van zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 38,21%. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.3.

Bij besluit van 9 februari 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van
1 april 2012 geen recht meer heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering, maar vanaf deze datum recht heeft op een WGA-vervolguitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.4.

Na het alsnog verrichten van een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 23 april 2012 voornoemd besluit van 9 februari 2012 gewijzigd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 april 2012 vastgesteld op 65 tot 80%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 8 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv een voldoende diepgaand en zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht naar de arbeidsbeperkingen van appellant op 1 april 2012. Ook zijn de uit dat onderzoek getrokken conclusies naar het oordeel van de rechtbank op overtuigende wijze onderbouwd in de rapporten van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep). De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellant heeft gemist. Over de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft toegelicht dat de belasting van de drie voor appellant geschikt geachte voorbeeldfuncties zijn belastbaarheid niet overschrijdt. Evenmin heeft de rechtbank redenen gezien om te twijfelen aan het door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgestelde opleidingsniveau van appellant en het aantal door hem behaalde diploma’s.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, zodat dat hij vanaf 1 april 2012 in aanmerking dient te komen voor een IVA-uitkering. Appellant heeft daartoe gesteld dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn handklachten, terwijl zijn klachten in de loop der jaren alleen maar zijn verslechterd en inmiddels ook is vastgesteld dat appellant aan beide handen het carpaal tunnelsyndroom (CTS) heeft. Appellant vindt het onbegrijpelijk dat hij thans in staat wordt geacht functies te verrichten waartoe hij bij de beoordeling in 2006 niet in staat werd geacht.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1.

Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.2.

De hoger beroepsgronden zijn van medische aard en vormen in essentie een herhaling van de gronden die appellant in eerste aanleg heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die gronden terecht verworpen.

4.3.

Met juistheid is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er geen aanleiding is het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig te achten. De verzekeringsarts heeft bij appellant lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant op de hoorzitting gezien en aansluitend aanvullend medisch onderzoek verricht betreffende de gestelde
hand- en knieklachten van appellant. Deze verzekeringsarts heeft voorts de in bezwaar ingebrachte medische informatie bij de beoordeling betrokken.

4.4.

Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde en in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 april 2012 neergelegde beperkingen in appellants arbeidsmogelijkheden op 1 april 2012. Zoals uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 november 2012 blijkt, is rekening gehouden met de vermoeidheidsklachten van appellant als gevolg van de diabetes mellitus en slaapapneu (OSAS), doordat het aantal te werken uren is teruggebracht naar maximaal vier uur per dag en 20 uur per week, buiten de avond en nachtelijke uren. De bij appellant bestaande rug- en knieklachten hebben geleid tot beperkingen in de te hanteren gewichten, de duur van het lopen, het traplopen en de frequentie en mate van het buigen. In verband met de schrijverskramp zijn beperkingen aangenomen in de fijne motoriek en in de repetitieve hand- en vingerbewegingen. Voorts is in voormeld rapport van 26 november 2012 inzichtelijk en overtuigend uiteengezet dat de inmiddels vastgestelde CTS niet leidt tot aanpassing van de FML omdat vanuit de handbeperkingen in verband met schrijverskramp reeds rekening is gehouden met de verminderde kracht in de handen. Er zijn in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten te vinden om het standpunt van de verzekeringsartsen, zoals neergelegd in de rapporten van 26 november 2012, 8 april 2013 en 25 juni 2013, voor onjuist te houden. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens overgelegd die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid van de opgestelde FML van 5 april 2012.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen, moet het oordeel van de rechtbank worden onderschreven dat de aan appellant voorgehouden voorbeeldfuncties in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn en dat deze functies aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd mochten worden. Het Uwv heeft de geschiktheid van deze voorbeeldfuncties voor appellant in het Resultaat functiebeoordeling van 7 juni 2012 afdoende toegelicht. Vergelijking van de verdiensten in de voorbeeldfuncties met het maatmaninkomen resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van 74,03%. Hieruit volgt dat het Uwv de WGA-vervolguitkering terecht gebaseerd heeft op een mate van arbeidsongeschiktheid van appellant van 65 tot 80%. Dit leidt tot de conclusie dat in dit geval niet voldaan is aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 4 van de Wet WIA, dat de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt moet zijn om een recht op een
IVA-uitkering te doen ontstaan.

4.6.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. Het door appellant gedane verzoek om schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente, moet worden afgewezen. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2015.

(getekend) P.H. Banda

(getekend) K. de Jong

JvC