Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2683

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
14/721 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling bijstand. Terugvordering renteloze geldlening. Het inkomen van betrokkene is hoger dan de voor hem van toepassing zijnde norm.

Wetsverwijzingen
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 11
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 12
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 44
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2015/187
JWWB 2016/83
USZ 2015/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/721 BBZ

Datum uitspraak: 11 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 december 2013, 13/2714 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Heemstede (appellant)

[naam] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015. Namens appellant is verschenen mr. drs. M.R. Staller. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 14 juni 2010 heeft betrokkene een aanvraag ingediend om bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Appellant heeft bij besluit van 28 juli 2010 aan betrokkene over de periode van 14 juni 2010 tot en met 4 oktober 2010 algemene bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van het Bbz 2004 verleend in de vorm van een renteloze lening. Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft appellant de einddatum van de bijstand gewijzigd naar een onbepaalde tijd. Bij besluit van 19 januari 2011 heeft appellant de bijstand herzien en de bijstand verleend tot 1 maart 2011.

1.2.

Bij brief van 10 augustus 2011 heeft appellant betrokkene verzocht om gegevens in te leveren, zodat de uitkering over de periode van 14 juni 2010 tot en met 28 februari 2011 definitief vastgesteld zou kunnen worden.

1.3.

De FBA adviesgroep (FBA) heeft op verzoek van appellant op 27 september 2012 een advies aan appellant uitgebracht. De FBA heeft vastgesteld dat het netto inkomen van betrokkene over de periode van 14 juni 2010 tot en met 31 december 2010 € 16.954,94 is, derhalve hoger dan de over die periode van toepassing zijnde norm van € 10.473,90.

1.4.

Bij besluit van 20 december 2012, gewijzigd bij besluit van 5 maart 2013, heeft appellant, voor zover hier van belang, de bijstand over het jaar 2010 definitief vastgesteld. Daarbij heeft appellant de verleende bijstand tot een bedrag van € 5.479,38 van betrokkene teruggevorderd, op de grond dat het inkomen van betrokkene over de periode van 14 juni 2010 tot en met

31 december 2010 hoger is dan de voor hem van toepassing zijnde norm. Appellant heeft artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c en artikel 44, eerste lid, van het Bbz 2004 aan de terugvordering ten grondslag gelegd.

1.5.

Bij besluit van 7 mei 2013 (bestreden besluit) heeft appellant, voor zover hier van belang, het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 20 december 2012, gewijzigd bij besluit van 5 maart 2013, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft ten aanzien van de op grond van het Bbz 2004 verleende bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan geoordeeld dat appellant wat de hoogte van de terugvordering betreft een correcte berekening heeft gemaakt. Appellant heeft echter ten onrechte artikel 44 van het Bbz 2004 aan de terugvordering ten grondslag gelegd. De terugvordering van een geldlening is geregeld in artikel 47 van het Bbz 2004. Ingevolge deze bepaling worden kosten van bijstand, verleend in de vorm van een geldlening, van de zelfstandige teruggevorderd, indien hij de hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt. Volgens de rechtbank is dit laatste nog niet aan de orde. Appellant heeft alleen nog maar kunnen vaststellen dat de verleende bijstand over 2010, vermeerderd met het in dat boekjaar behaalde netto inkomen, meer is dan de jaarnorm en dat van betrokkene derhalve de bijstand ter grootte van het verschil moet worden teruggevorderd. Appellant zal vervolgens eerst aan betrokkene verplichtingen omtrent de terugbetaling moeten opleggen. Pas indien betrokkene die verplichting niet (behoorlijk) nakomt, zal appellant tot terugvordering kunnen overgaan op grond van het bepaalde in artikel 47, in samenhang met artikel 44, van het Bbz 2004, aldus de rechtbank.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover deze betrekking heeft op de op grond van het Bbz 2004 verleende bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 wordt de bijstand, indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto inkomen meer is dan de jaarnorm, ter grootte van het verschil teruggevorderd en wordt de rest van de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet.

4.2.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van het Bbz 2004 worden bij de toepassing van artikel 58 van de wet (lees: de Wet werk en bijstand, WWB) kosten van bijstand door het college teruggevorderd met toepassing van artikel 12, tweede lid, onderdeel c, en de hoofdstukken V en VI. In artikel 44, tweede lid, van het Bbz 2004 is bepaald dat het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 44 van het Bbz 2004 geen zelfstandige terugvorderingsgrondslag behelst. Appellant heeft voorts niet uitsluitend artikel 44 van het Bbz 2004 aan de terugvordering ten grondslag gelegd, maar ook artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt, waartoe het volgende wordt overwogen. Het in artikel 44 vermelde artikel 12, tweede lid, onderdeel c, regelt de definitieve vaststelling van de op grond van artikel 11 van het Bbz 2004 voorlopig in de vorm van een geldlening verleende algemene bijstand. De tekst van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 luidt aldus dat de bijstand wordt (cursivering Raad) teruggevorderd indien aan de in die bepaling omschreven voorwaarden is voldaan. Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004, gelezen in samenhang met artikel 44, eerste lid, van het Bbz 2004 biedt dan ook de formele bevoegdheidsgrondslag voor de terugvordering van de zelfstandige van de kosten van de hem in de vorm van een renteloze lening verstrekte algemene bijstand, indien aan de in die bepaling omschreven voorwaarden is voldaan. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is artikel 47 van het Bbz 2004 in het onderhavige geval niet aan de orde. Deze bepaling behelst een andere grond tot terugvordering, die van toepassing is in het geval opgelegde verplichtingen niet zijn nagekomen. Deze situatie doet zich hier, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet voor. De omstandigheid dat artikel 47 van het Bbz 2004 een specifieke bepaling kent over terugvordering van kosten van bijstand, verleend in de vorm van een geldlening, in het geval van het niet of niet behoorlijk nakomen van uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen, kan bovendien aan de reikwijdte van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 44 van het Bbz 2004 niet afdoen.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 7 mei 2013, voor zover dat betrekking heeft op de algemene bijstand op grond van het Bbz 2004, ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep ongegrond, voor zover dat betrekking heeft op de algemene bijstand op

grond van het Bbz 2004.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en F. Hoogendijk en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2015.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) C.M. Fleuren

HD