Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2680

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
11-08-2015
Zaaknummer
14/1979 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gronden hoger beroep zijn in essentie een herhaling van die in eerste aanleg. Overtuigend gemotiveerd standpunt VA B&B, protocol WAD, objectiveerbare medische gegevens, urenbeperking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1979 WIA

Datum uitspraak: 31 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

28 februari 2014, 13/4231 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster voor 40 uur per week. Voor dat werk is zij op 7 maart 2011 uitgevallen vanwege nek-, schouder- en hoofdpijnklachten. Aan appellante is met ingang van 1 augustus 2011 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Over de periode van 25 november 2012 tot en met
23 maart 2013 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg ontvangen. Aansluitend aan deze periode ontving zij weer ziekengeld.

1.2.

Bij besluit van 23 april 2013 (besluit 1) heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 29 april 2013 niet ongeschikt is voor haar werk en dat haar ZW-uitkering met ingang van die datum beƫindigd wordt. Bij besluit van eveneens 23 april 2013 (besluit 2) heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 1 juli 2013 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat appellante de wachttijd niet heeft volbracht.

1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten 1 en 2. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 juli 2013, bij besluit van 5 augustus 2013 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 december 2013 voldoende heeft gemotiveerd dat de beroepsgronden van appellante geen reden zijn om terug te komen van het in zijn rapport van 4 juli 2012 (lees: 2013) ingenomen standpunt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellante geen beperkingen voor het verrichten van arbeid als gevolg van een ziekte of gebrek heeft. Het standpunt van appellante dat zij wel beperkingen heeft als gevolg van een vertraagd herstel zoals vermeld in het protocol Whiplash associated disorder (protocol WAD) heeft zij niet met diagnostische gegevens onderbouwd. Het is een andere interpretatie van de bestaande gegevens, welke vooral gebaseerd is op de beleving van appellante. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv met de verwijzing naar dit rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt van appellante voldoende heeft weerlegd.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij beperkingen heeft als gevolg van ziekte of gebrek. Er is sprake van een vertraagd herstel als beschreven in het protocol WAD. Voorts kan appellante haar eigen werk niet verrichten, omdat zij niet met werkdruk om kan gaan, concentratieproblemen heeft en niet lang achter een computer kan werken. Verder had voor appellante een urenbeperking op energetische gronden moeten worden gesteld.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak en heeft verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 april 2013 (lees:
17 december 2013). Uit de beschikbare informatie van de behandelend sector en de psychiatrische expertise van psychiater G.J.M. Gras blijkt dat de klachten van appellante het gevolg zijn van extreem pijnvermijdend gedrag. Dit is niet aan te merken als een ziekte of gebrek.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1.

De gronden van appellante in hoger beroep zijn, in essentie, een herhaling van die welke zij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat deze gronden niet kunnen slagen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 4 juli 2013 en 17 december 2013 overtuigend gemotiveerd dat uit de informatie van de behandelend sector en zijn eigen onderzoek blijkt dat de klachten van appellante het gevolg zijn van pijnvermijdend gedrag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij vastgesteld dat er geen tekenen zijn van een vertraagd herstel als aangegeven in het protocol WAD. Het standpunt van appellante dat hiervan wel sprake zou zijn, is niet onderbouwd met objectiveerbare medische gegevens. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat de concentratie, aandacht en het geheugen van appellante ongestoord zijn tijdens zijn onderzoek. Er is ook geen sprake van een evidente vermoeidheid waarvoor een urenbeperking gesteld zou moeten worden. Er bestaat geen aanleiding dit oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische stukken overgelegd waaruit objectiveerbare gegevens naar voren komen waarmee haar standpunt kan worden onderbouwd. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellante met ingang van 29 april 2013 niet ongeschikt is voor haar werk.

4.2.

Gelet op bovenstaande conclusie dat appellante met ingang van 29 april 2013 niet ongeschikt is voor haar werk, heeft het Uwv terecht vastgesteld dat voor appellante met ingang van 1 juli 2013 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij de wachttijd op deze datum niet heeft volgemaakt.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Omdat het hoger beroep niet slaagt, is er geen ruimte voor veroordeling tot vergoeding van schade, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2015.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) K. de Jong

NK