Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
11-08-2015
Zaaknummer
13/5505 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Voor de Raad is van doorslaggevend belang dat de verzekeringsarts b&b op 20 november 2012 overweegt, in navolging van de primaire verzekeringsarts, dat zich sinds het deskundigenoordeel geen essentiële wijzigingen hebben voorgedaan, en dat de medische situatie van werkneemster stabiel is. In feite handhaaft het Uwv achteraf bezien zijn deskundigenoordeel niet. Dit kan echter niet voor risico van appellante worden gebracht. Appellante heeft mogen afgaan op het deskundigenoordeel van 8 augustus 2011, mede ook gelet op de inhoud van de rapporten van de bedrijfsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/5505 WIA

Datum uitspraak: 29 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
5 september 2013, 13/94 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Stichting [naam 1] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.M. Peperkamp hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2015. Namens appellante zijn verschenen mr. Peperkamp en I. Lukas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.N.G. van Nieuwburg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft het Uwv het tijdvak met daarin de loonbetalingsverplichting van appellante ten aanzien van haar werkneemster
[naam 2] (werkneemster) verlengd tot 12 augustus 2013, omdat appellante niet voldoende heeft gedaan om deze werkneemster te re-integreren.

1.2.

Bij besluit van 4 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 juli 2012 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv zijn oordeelsvorming terecht heeft mogen baseren op de rapporten van de verzekeringsarts van 20 juni 2012 en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 november 2012, die beiden concluderen dat werkneemster vanaf september 2011 belastbaar is voor lichte werkzaamheden. Appellante had dan ook vanaf september 2011 re-integratie-activiteiten moeten opstarten in het kader van het zogenoemde tweede spoor, dat wil zeggen de mogelijkheden bezien van re-integratie bij een andere werkgever. Niet in geschil is dat er ten tijde als hier van belang geen
re-integratiemogelijkheden in het bedrijf van appellante waren. Daaraan kan niet afdoen dat de bedrijfsarts van appellante heeft geconcludeerd dat werkneemster geen benutbare mogelijkheden heeft, aangezien het voor risico van appellante dient te komen dat zij is afgegaan op een andersluidend oordeel van haar bedrijfsarts. Evenmin kan aan dat oordeel afdoen dat het Uwv in een deskundigenoordeel van 8 augustus 2011 geoordeeld heeft dat er tot op dat moment voldoende re-integratie-inspanningen waren verricht, aangezien aan dat oordeel het voorbehoud van gewijzigde omstandigheden was verbonden.

3. Appellante heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat zij wel degelijk aan haar
re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Zij heeft daarbij met name een beroep gedaan op het deskundigenoordeel van 8 augustus 2011, waarin geconcludeerd wordt dat een traject in het kader van het tweede spoor de komende maanden niet reëel is. Appellante acht het onbegrijpelijk dat nadien de re-integratie-activiteiten reeds per september 2011 als onvoldoende worden aangemerkt.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Het Uwv heeft op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan appellante een zogenoemde loonsanctie opgelegd, inhoudende dat appellante het loon van werkneemster moet doorbetalen tot 12 augustus 2013, zijnde 52 weken langer dan de periode als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

4.3.

De Raad dient de vraag te beantwoorden of door appellante onvoldoende inspanningen zijn verricht om werkneemster te re-integreren in het arbeidsproces, en, zo ja, of het Uwv dan gerechtigd was de loonsanctie - verlenging van de loondoorbetalingsperiode met 52 weken - op te leggen.

4.4

Op verzoek van appellante heeft het Uwv, met een rapport van arbeidsdeskundige
J. Tol, op 8 augustus 2011 de re-integratie-inspanningen van appellante tot dat moment beoordeeld. In dat rapport wordt het standpunt van appellante, dat er binnen de organisatie van appellante geen passende mogelijkheden zijn, onderschreven. Tevens acht de arbeidsdeskundige een traject in het kader van het tweede spoor de komende maanden niet reëel. Wel zullen partijen periodiek moeten overleggen of de situatie alsnog wijzigt. Indien dit het geval is, zal er een bijstelling opgemaakt moeten worden en eventueel direct het tweede spoor moeten worden ingezet.

4.5.

Op 22 maart 2012 rapporteert de bedrijfsarts in de bijstelling probleemanalyse dat het
re-integratiedoel een draaglijk bestaan is, waarbij werken geen haalbare zaak meer lijkt. Op 18 mei 2012 rapporteert hij dat werkneemster niet kan werken, ook niet in de toekomst, en dat werkneemster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Vervolgens neemt het Uwv het standpunt in, gebaseerd op het eerdergenoemde verzekeringsgeneeskundig rapport van 20 juni 2012 in samenhang met het arbeidskundig rapport van 9 juli 2012, dat de beperkingen vanaf september 2011 stabiel zijn en dat vanaf die maand een re-integratietraject tweede spoor gestart had moeten worden.

4.6.

De Raad is van oordeel dat appellante mocht afgaan op het deskundigenoordeel van
8 augustus 2011 waarin onder meer te kennen wordt gegeven dat appellante periodiek overleg dient te voeren met werkneemster. Vervolgens is er blijkens de gedingstukken eerst op
12 maart 2012 weer contact tussen de bedrijfsarts en werkneemster. Hoewel een tijdsspanne van 7 maanden niet als periodiek overleg kan worden beschouwd, is de Raad van oordeel dat dit appellante niet kan worden tegengeworpen. Hiertoe overweegt de Raad als volgt.

4.7.

In het deskundigenoordeel wordt expliciet gesteld dat een traject in het kader van het tweede spoor de komende maanden niet reëel is. Appellante heeft hierop mogen afgaan, en behoefde geen rekening te houden met een achteraf gewijzigde visie van het Uwv dat al vanaf september 2011 re-integratie-activiteiten hadden moeten plaatsvinden. Daarnaast acht de Raad van doorslaggevend belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 20 november 2012 overweegt, in navolging van de primaire verzekeringsarts, dat zich sinds het deskundigenoordeel geen essentiële wijzigingen hebben voorgedaan, en dat de medische situatie van werkneemster stabiel is. In feite komt het er op neer dat het Uwv achteraf bezien zijn deskundigenoordeel niet handhaaft. Deze standpuntwijziging kan echter niet voor risico van appellante worden gebracht. Appellante heeft mogen afgaan op het deskundigenoordeel van 8 augustus 2011, mede ook gelet op de inhoud van de rapporten van de bedrijfsarts.

4.8.

Op grond van 4.2 tot en met 4.7 wordt geoordeeld dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen.

4.9.

Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 12 juli 2012 te herroepen.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    herroept het besluit van 12 juli 2012;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van € 788,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en
D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2015.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) G.J. van Gendt

UM