Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2676

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
11-08-2015
Zaaknummer
12/5890 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aanleiding om het Bpb extensief uit te leggen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er aanleiding is om de rechtsgevolgen van bestreden besluiten 2 en 3 in stand te laten. De informatie van de behandelende psychiater ziet op een periode (ver) na de data in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/298

Uitspraak

12/5890 WIA, 12/5891 WIA, 12/5892 WIA

Datum uitspraak: 31 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 25 september 2012, 10/4550 en 11/3451, en van 20 september 2012, 12/3198

(aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door J.A.C. van Etten, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft laatstelijk in loondienst gewerkt als onroerend-goed-spotter voor 24 uur

per week. Nadat ze werkloos was geworden heeft ze met behoud van een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet als zelfstandige gewerkt. Op 25 juni 2008 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten (huilbuien, slecht slapen, paniekaanvallen en piekeren). In verband daarmee heeft appellante een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

Bij besluit van 11 mei 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante per einde wachttijd geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het door appellante daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 november 2010 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard, waarbij de beslissing van 11 mei 2010 is gehandhaafd. Appellante heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Bij besluit van 6 juni 2011 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv, hangende beroep, bestreden besluit 1 gewijzigd en aan appellante met ingang van 23 juni 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 53,23. Daarbij is meegedeeld dat de uitkering, in verband met de duur van de door appellante genoten uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, eindigt met ingang van 1 augustus 2011. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 mede gericht geacht tegen bestreden besluit 2. Bij besluit van 20 oktober 2011 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat de haar toegekende loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 1 januari 2012 wordt beëindigd en dat zij met ingang van dezelfde datum in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het tegen die beslissing gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 mei 2012 (bestreden besluit 3) door het Uwv ongegrond verklaard, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid nader is vastgesteld op 62,92% en een vergoeding is toegekend voor in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand. Appellante heeft ook tegen bestreden besluit 3 beroep doen ingesteld.

2.1.

In haar uitspraak van 25 september 2012 heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 in stand blijven, een schadevergoeding aan appellante toegekend van € 500,-, een proceskostenvergoeding uitgesproken en bepaald dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht wordt vergoed. Daartoe is overwogen dat het Uwv bestreden besluit 1 niet meer juist achtte, zodat dit voor vernietiging in aanmerking komt. De in beroep gevorderde vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in bezwaar heeft de rechtbank afgewezen; zij heeft daartoe overwogen dat een schriftelijke reactie van

19 mei 2011 van de gemachtigde van appellante, waarin een reactie werd gegeven op het voornemen besluit 1 te herzien, niet een voor vergoeding in aanmerking komende handeling is. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard en dat besluit

vernietigd omdat het tot stand is gekomen met schending van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Over de inhoud van het besluit heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling die eraan ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest, dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

4 maart 2011 geen beperkingen zijn gemist of onjuist vertaald, dat in de arbeidskundige rapporten voldoende is toegelicht waarom de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt en dat het maatgevende inkomen op de juiste wijze is berekend. Omdat bestreden besluit 2 inhoudelijk juist werd geacht, zijn de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.

2.2.

In haar uitspraak van 20 september 2012 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, bestreden besluit 3 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Ook is het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en is bepaald dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht moet worden vergoed. Daartoe is overwogen dat pas in beroep een volledige motivering van de beslissing op bezwaar is gegeven. Dit acht de rechtbank in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder is overwogen dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling die aan bestreden besluit 3 ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest, dat in de FML van 2 maart 2012 geen beperkingen zijn gemist of onjuist vertaald en dat appellante met ingang van 1 januari 2012 in staat moest worden geacht de geduide functies te vervullen. Daarom zijn ook de rechtsgevolgen van bestreden besluit 3 in stand gelaten.

3. Appellante heeft in hoger beroep de uitspraken van de rechtbank aangevochten, voor zover daarin is geweigerd het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, gemaakt in bezwaar tegen het besluit op aanvraag van 11 mei 2010, en voor zover daarin de rechtsgevolgen van bestreden besluiten 2 en 3 in stand zijn gelaten. Volgens appellante moet een redelijke uitleg van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) leiden tot toekenning van de gevraagde vergoeding voor kosten van rechtsbijstand. Voorts stelt appellante dat zij wegens haar klachten (psychische klachten, whiplashklachten, voedselintolerantie, allegieën, duizelingen, een evenwichtsstoornis en fijn motorische klachten) en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor 80% tot 100% arbeidsongeschikt is. De medische beoordeling door het Uwv is niet zorgvuldig geweest en heeft niet tot een juiste uitkomst geleid. In het geval van appellante had er rekening mee moeten worden gehouden dat zij maar gedurdende een beperkte aantal uren per week met arbeid belastbaar is. De functiebelasting in de geduide functies overschrijdt de belastbaarheid van appellante.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat een brief waarin wordt gereageerd op een voornemen om een beslissing te wijzigen waartegen bezwaar is gemaakt, niet als bezwaarschrift of een daarmee - voor de toepassing van het Bpb - op één lijn te stellen handeling kan worden aangemerkt. Voor de gevraagde extensieve uitleg van het Bpb bestaat, gelet op het forfaitaire karakter van de daarin voorziene vergoedingen, geen aanleiding.

4.2.

Ter onderbouwing van haar standpunt over de onzorgvuldigheid en de onjuistheid van de medische onderbouwing van bestreden besluiten 2 en 3 heeft appellante erop gewezen dat zij voorafgaand aan het nemen van bestreden besluit 2 niet is gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In hoger beroep heeft zij tevens verwezen naar informatie van het Uwv uit

1997, 2000 en 2001 en naar informatie van de haar behandelende psychiater.

4.3.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de inhoud van bestreden besluiten 2 en 3 aanleiding geeft de rechtsgevolgen van die besluiten in stand te laten. De Raad verenigt zich met de door de rechtbank gegeven motivering en maakt die tot de zijne. De informatie uit 1997, 2000 en 2001 waarop appellante zich heeft beroepen werpt voor de beoordelingen per 23 juni 2010 (bestreden besluit 2) en 1 januari 2012 (bestreden besluit 3) geen ander licht op de zaak. Datzelfde geldt voor de informatie van de appellante behandelende psychiater, welke informatie ziet op een periode (ver) na de data in geding.

4.4.

Uit wat is overwogen onder 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, moeten worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken, voor zover daarin is geoordeeld dat in besluit 1 terecht een verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand is afgewezen en voor zover daarin de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten 2 en 3 in stand zijn gelaten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en P.H. Banda en

R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) P. Uijtdewillegen

AP