Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2674

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
10-08-2015
Zaaknummer
14/59 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geschiktheid voor de geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/59 WIA

Datum uitspraak: 7 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 december 2013, 13/43 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2015. Namens appellant is

mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, kantoorgenoot van mr. Brauer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft zich op 20 september 2010, vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld wegens psychische klachten en rugklachten. Bij besluit van 8 augustus 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 17 september 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag, dat appellant met in achtneming van zijn medische beperkingen geschikt is voor algemeen geaccepteerde arbeid. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij besluit van 11 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 november 2012 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 10 december 2012.

2.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek zorgvuldig plaatsgevonden en is de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep, die aanwezig is geweest op de hoorzitting, heeft kennis genomen van het dossier en nadere informatie opgevraagd bij de huisarts en deze informatie in zijn beoordeling betrokken. Naar aanleiding van zijn onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op 30 november 2012 aangepast.

2.2.

Gelet op de aanwezige medische gegevens zijn naar het oordeel van de rechtbank geen argumenten om aan te nemen dat appellant zich op de datum in geding bevindt in een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de mogelijkheden en beperkingen van appellant op juiste wijze in de FML van 30 november 2012 neergelegd.

De rechtbank heeft tevens de gegeven motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aanvullend rapport van 1 februari 2013 dat voor het aannemen van beperkingen in rubriek 6 van de FML geen argumenten aanwezig zijn toereikend geacht. De in beroep overgelegde medische informatie van de huisarts maakt het oordeel over de medische grondslag niet anders. Uit die informatie is de rechtbank niet gebleken dat het Uwv de medische situatie van appellant ten tijde in geding niet juist heeft ingeschat.

2.3.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de in het dossier aanwezige gegevens de conclusie kunnen dragen dat appellant in medisch opzicht in staat is tot het vervullen van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies.

2.4.

Voor zover appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan, heeft de rechtbank vastgesteld dat niet is gebleken van een bevoegdelijk gedane, schriftelijke, uitdrukkelijke en eenduidige toezegging, dan wel van gerechtvaardigde verwachtingen op grond waarvan het Uwv gehouden zou zijn appellant per einde wachttijd een WIA-uitkering toe te kennen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep opnieuw aangevoerd - kort weergegeven - dat op de datum in geding primair sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden en subsidiair dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat bijzondere en intensieve begeleiding noodzakelijk is op de werkplek. Ook heeft hij naar voren gebracht dat van geen enkele werkgever verwacht kan worden hem in dienst te nemen als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit), omdat de triestheid en kwaadheid over de eigen situatie bij hem ervan afdruipt. Ten slotte heeft appellant gesteld niet te kunnen begrijpen dat de verzekeringsarts van het Uwv tegenover hem te kennen heeft gegeven dat hij volledig arbeidsgeschikt zou zijn, terwijl het Uwv dat standpunt uiteindelijk niet heeft gevolgd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Met betrekking tot het beroep op artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit heeft het Uwv aangevoerd dat de omschreven triestheid en kwaadheid over de situatie waarin appellant verkeert, niet aangemerkt kunnen worden als kenmerken in de zin van vorengenoemde bepaling.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellant heeft aangevoerd in hoger beroep zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel ten grondslag liggen worden door de Raad onderschreven.

4.2.

Voor zover appellant een beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel, slaagt dat niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken van een bevoegdelijk gedane, schriftelijke, uitdrukkelijke en eenduidige toezegging, dan wel van gerechtvaardigde verwachtingen op grond waarvan het Uwv in deze zaak gehouden was appellant per einde wachttijd een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.

Ook in hoger beroep heeft appellant ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, zoals omschreven in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit, dan wel dat hij meer of zwaarder beperkt is dan is weergegeven in de FML van 30 november 2012, geen objectief medische stukken ingediend waarin voor dit standpunt aanknopingspunten te vinden zijn.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 30 november 2012 heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat gelet op de belastende aspecten in de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellant niet wordt overschreden, zodat hij geschikt te achten is om de werkzaamheden in deze functies te verrichten.

4.5.

In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van

14 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3829) ligt besloten dat de in artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit bedoelde kenmerken, op grond waarvan van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd appellant in bepaalde arbeid te werk te stellen, betrekking hebben op andere aspecten dan de aspecten die in aanmerking worden genomen bij de vraag naar de passendheid van geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht. Nu bij de vraag naar de passendheid van de geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht rekening is gehouden met het totaal van vastgestelde medische beperkingen van appellant ten aanzien van zijn persoonlijk en sociaal functioneren, kunnen deze beperkingen rechtens niet tevens worden aangemerkt als kenmerken bedoeld in artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit.

4.6.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent dat voor een veroordeling tot vergoeding van de gevraagde schadevergoeding, bestaande uit wettelijke rente, geen plaats is.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2015.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) I. Mehagnoul

AP