Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2015
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
13-1332 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft ten onrechte beslist dat appellante geen recht meer heeft op een ZW-uitkering ter hoogte van het dagloon op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW. Zwangerschap. Ongeval. Rugklachten. De gebruikte woorden van de verzekeringsarts “in overwegende mate” duiden er niet op dat het buiten twijfel staat dat de klachten van appellante alleen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan de zwangerschap. Daarnaast prevaleert bij een combinatie van oorzaken van arbeidsongeschiktheid volgens de Standaard Zwangerschap en bevalling de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de zwangerschap. Het Uwv heeft niet gemotiveerd dat de bekken- en rugklachten, op zichzelf staand, niet tot arbeidsongeschiktheid leiden. Het staat dan ook niet buiten twijfel dat de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid alleen voortvloeit uit het ongeval en zijn oorzaak niet (mede) vindt in de zwangerschap.

Wetsverwijzingen
Ziektewet
Ziektewet 29a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2015/56
TRA 2015/63 met annotatie van M.J.A.C Driessen/N. Gundt
USZ 2015/109 met annotatie van M.J.A.C. Driessen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1332 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

7 februari 2013, 12/2450 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 januari 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.J. Hos, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hos. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante had tot 1 februari 2012 een dienstverband met de [zorggroep] voor 32 uur per week als verzorgende. Op 28 maart 2012 was zij betrokken bij een auto-ongeval en heeft zij zich ziek gemeld vanuit een situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. Het Uwv heeft aan appellante bij besluit van 23 april 2012 met ingang van 28 maart 2012 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend ter hoogte van het dagloon op grond van artikel 29a, eerste lid van de ZW.

1.2.

Na een medisch onderzoek door een verzekeringsarts op 14 mei 2012 heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellante met ingang van 28 maart 2012 geen recht heeft op een uitkering op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW omdat de arbeidsongeschiktheid niet het gevolg is van de zwangerschap maar van het auto-ongeval. Bij besluit van 16 mei 2012 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 14 mei 2012 herzien en verlaagd van 100% naar 70% van het dagloon.

1.3.

Bij besluit van 9 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 mei 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de arbeidsongeschiktheid niet het gevolg is van de zwangerschap, onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij haar beoordeling volgens de rechtbank voldoende rekening gehouden met de Standaard Zwangerschap en bevalling als oorzaak van arbeidsongeschikt voor haar arbeid (Lisv-mededeling M 99.47 van 29 april 1999, Standaard).

3. In hoger beroep heeft appellante haar gronden van beroep herhaald. Vóór het ongeval had zij ook al last van rug- en bekkenklachten als gevolg van haar zwangerschap. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft zij verwezen naar een brief van

12 februari 2012 aan de afdeling Ziektewet van het Uwv, waarin zij zich heeft ziek gemeld als gevolg van bekken- en rugklachten. Deze klachten zijn dezelfde als bij haar vorige zwangerschap en zijn na het ongeval toegenomen. Het gaat volgens appellante om klachten als pathologisch gevolg van de zwangerschap (categorie 1 van de Standaard).

4. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Bij het Uwv is geen eerdere ziekmelding bekend, de brief van 12 februari 2012 heeft het Uwv niet ontvangen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In dit geding staat de vraag centraal of de rechtbank terecht het standpunt van het Uwv heeft gevolgd dat appellante met ingang van 14 mei 2012 geen recht meer heeft op een

ZW-uitkering ter hoogte van het dagloon op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW.

5.2.1.

Op grond van artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld. In artikel 29, zevende lid, van de ZW is bepaald dat het ziekengeld 70% bedraagt van het dagloon van de verzekerde. Op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW, heeft de vrouwelijke verzekerde, indien zij, voorafgaand aan de dag waarop zij recht heeft op uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, tweede lid, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg, ongeschikt wordt tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon vanaf de eerste dag waarop die ongeschiktheid bestaat.

5.2.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 november 2006 (ECLI:NL:CRVB: 2006:AZ3489) beschrijft de Standaard de werkwijze en de criteria die de verzekeringsarts moet hanteren bij de beantwoording van de vraag of de ongeschiktheid van de vrouw voor haar arbeid het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling. Om te beoordelen of de klachten van de vrouw het gevolg zijn van zwangerschap of bevalling worden in de Standaard twee afwegingen gemaakt: een afweging op basis van oorzaken en een afweging op basis van meer algemene criteria. Deze afwegingen vullen elkaar aan. In de Standaard staan zes (niet limitatieve) indelingen in categorieën van oorzaken voor mogelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van de zwangerschap en partus.

1. Klachten, stoornissen en beperkingen in het functioneren als gevolg van pathologisch verloop van zwangerschap, baring en kraamperiode.

2. Klachten, stoornissen en beperkingen in het functioneren samenhangend met fysiologische veranderingen tijdens de zwangerschap.

(….).

5.2.3.

Categorie 1 betreft klachten, stoornissen en beperkingen die uitsluitend het gevolg kunnen zijn van zwangerschap, bevalling of kraambed. Als één van deze redenen aan de orde is en arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft, wordt het causale verband tussen arbeidsongeschiktheid en zwangerschap/bevalling zonder meer aangenomen. Als de klacht, stoornis of beperking behoort tot één van de categorieën 2 tot en met 6 is het causale verband niet zonder meer duidelijk. Hier dient een toets met behulp van de algemene criteria plaats te vinden. De algemene criteria in de Standaard luiden:

1. Is de klacht, stoornis of beperking ontstaan tijdens de zwangerschap/ kraamperiode?

2. Heeft de klacht, stoornis of beperking een relatie met (direct) bij de

zwangerschap/bevalling betrokken organen en/of de hormonale veranderingen als gevolg van de zwangerschap/bevalling?

3. Maakt het tijdstip van optreden van de klacht, stoornis of beperking in relatie tot de duur van de zwangerschap/kraamperiode het verband tussen klacht en zwangerschap/bevalling aannemelijk(er)?

4. Is de klacht, stoornis of beperking verergerd tijdens de zwangerschap/ kraamperiode?

5.2.4.

Resteert vervolgens nog twijfel, dan wordt volgens pagina 6 van de Standaard onder het kopje Oordeelsvorming "als voordeel van de twijfel" een causaal verband met de zwangerschap en/of bevalling aangenomen. Deze beoordeling geschiedt volgens de Standaard analoog aan de beoordeling zoals die is voorgeschreven om vast te stellen of de toegenomen arbeidsongeschiktheid uit ‘dezelfde oorzaak’ voortvloeit. Uit de uitspraak van de Raad van

11 december 2001 (ECLI:NL:CRVB: 2001:AL1341) over ‘dezelfde oorzaak’ volgt dat buiten twijfel dient te staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid moet voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 39a van de WAO niet van toepassing zijn.

In de toelichting op de Standaard onder het kopje: “Bijzondere situaties, Combinatie oorzaken voor arbeidsongeschiktheid?”, staat vermeld dat de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de zwangerschap prevaleert als er sprake is van meerdere oorzaken voor arbeidsongeschiktheid.

5.3.

Op 14 mei 2012 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er sprake is van ongeschiktheid voor de maatgevende arbeid en dat appellante in het verleden ook bekkenklachten had. Omdat deze klachten duidelijk anders van aard waren dan de klachten die appellante nu ervaart, kan mede hierdoor volgens de verzekeringsarts gesteld worden dat appellante geen klachten heeft ten gevolge van de zwangerschap, maar dat deze meer zijn te verklaren door het ongeval. Op 5 juli 2012 is appellante onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. De klachten die voor het ongeval bestonden hebben volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet geleid tot een ziekmelding en pas na het ongeval was er weer noodzaak voor therapie. Er kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet anders dan geconcludeerd worden dat het ongeval de directe aanleiding is tot klachten, met de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid. Een directe relatie tussen arbeidsongeschiktheid vanuit een pathologisch verlopende zwangerschap of vanuit klachten die in overwegende mate, rechtstreeks en plausibel voortvloeien vanuit zwangerschap kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet worden gelegd.

5.4.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van 3 oktober 2014 nader gemotiveerd dat de rug- en bekkenklachten van appellante benoemd worden als voorbeelden bij categorie 2. Appellante heeft niet met medische stukken aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van het Uwv onjuist is en dat de oorzaak van haar klachten worden genoemd in de Standaard als voorbeelden bij categorie 1.

5.5.

Uitgaande van categorie 2 is volgens de Standaard het causale verband niet zonder meer duidelijk en dient een toets met behulp van de algemene criteria plaats te vinden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de algemene criteria in de rapporten van 3 oktober 2014 en 18 november 2014 getoetst en is tot de conclusie gekomen dat de klachten op de datum van de ziekmelding en op 14 mei 2012 in overwegende mate het gevolg zijn van een andere oorzaak dan de zwangerschap.

5.6.

De rug- en bekkenklachten van appellante zijn ontstaan tijdens de zwangerschap en zijn in verband te brengen met fysiologische veranderingen tijdens zwangerschap (categorie 2). Dat appellante in verband met die klachten van half januari 2012 tot begin april 2012 oefeningen thuis deed, in die periode de mensendiecktherapeute niet bezocht en dat appellante zich niet heeft ziek gemeld voor het ongeval op 28 maart 2012 is niet van belang voor de vraag op grond van welke klachten appellante op 14 mei 2012, anderhalve maand na het ongeval, ongeschikt was voor haar arbeid. Volgens de informatie van de huisarts van

7 juni 2012 en de informatie van de verloskundige heeft appellante verklaard dat de klachten aan haar bekken en rug gedurende de zwangerschap zijn toegenomen. De huisarts heeft haar op grond van die klachten in april 2012 (weer) verwezen naar een mensendiecktherapeute, gespecialiseerd in bekken- en rugklachten. Deze heeft appellante behandeld voor de pijnklachten die zijn ontstaan aan de nek en schouders als gevolg van het ongeval en in verband met haar bekken- en rugklachten. Van bekkenklachten is volgens de Standaard bekend dat deze kunnen toenemen naarmate de zwangerschap vordert als gevolg van hormonale veranderingen. De gebruikte woorden van de verzekeringsarts bezwaar en beroep “in overwegende mate” duiden er niet op dat het buiten twijfel staat dat de klachten van appellante alleen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan de zwangerschap. Daarnaast prevaleert bij een combinatie van oorzaken van arbeidsongeschiktheid volgens de Standaard de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de zwangerschap. Het Uwv heeft niet gemotiveerd dat de bekken- en rugklachten, op zichzelf staand, niet tot arbeidsongeschiktheid leiden. Het staat dan ook niet buiten twijfel dat de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid alleen voortvloeit uit het ongeval en zijn oorzaak niet (mede) vindt in de zwangerschap.

5.7.

Uit 5.1 tot en met 5.6 volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals deze bepaling per 1 januari 2013 luidt, zelf in de zaak voorzien door het besluit van 16 mei 2012, waardoor appellante niet langer recht had op een uitkering op grond van artikel 29 a, eerste lid van de ZW, te herroepen.

6.1.

Appellante heeft verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu bij deze uitspraak het besluit van 16 mei 2012 wordt herroepen wegens aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid, zal het Uwv op grond van artikel 8:75 in verbinding met artikel 7:15 van de Awb worden veroordeeld in de kosten van appellante in bezwaar.

Deze kosten worden begroot op € 980,- aan kosten van rechtsbijstand.

6.2.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 juli 2012;

  • -

    herroept het besluit van 16 mei 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 9 juli 2012;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.940,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk en C.C.W. Lange en F.J.L. Pennings, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) K. de Jong

JvC