Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2658

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2015
Datum publicatie
10-08-2015
Zaaknummer
13-6963 AOR
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om AOR-toekenningen. De beschikbare gegevens bieden onvoldoende houvast voor de conclusie dat appellant oorlogscalamiteiten in de zin van de AOR heeft meegemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6963 AOR

Datum uitspraak: 6 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

(Stb. 2014, 583), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad in de plaats getreden van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de - voormalige - CAOR verstaan.

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 december 2013, kenmerk 0005290/CAOR (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2015. Voor appellant is

mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 1942 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In augustus 2012 heeft hij een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de AOR.

1.2.

Bij besluit van 24 mei 2013 heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat geen bevestiging is verkregen van de door appellant gestelde oorlogservaringen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 1 van de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang:

het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen

- als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen;

- gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;

- in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.

2.2.

Verweerder heeft het bestreden besluit doen steunen op de overwegingen dat geen bevestiging is verkregen dat appellant betrokken is geweest bij ongeregeldheden in Soerabaja tijdens de zogenoemde Bersiap-periode of dat hij lichamen in een greppel heeft zien liggen.

2.3.

De Raad volgt verweerder in dit standpunt. De beschikbare gegevens bieden onvoldoende houvast voor de conclusie dat appellant oorlogscalamiteiten in de zin van de AOR heeft meegemaakt. Buiten de eigen verklaring van appellant zijn er geen objectieve gegevens waaruit blijkt dat appellant de gebeurtenissen persoonlijk heeft meegemaakt. Appellant heeft zelf ook aangegeven geen getuigenverklaringen over te kunnen leggen. Dat de door appellant genoemde gebeurtenissen passen binnen de historische context is onvoldoende om te aanvaarden dat hij de gestelde oorlogscalamiteiten heeft meegemaakt. Voor de AOR gelden weliswaar mildere criteria voor het aanvaarden van oorlogsgebeurtenissen dan voor de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Dat neemt niet weg dat er enige vorm van bewijs dient te zijn dat een betrokkene gebeurtenissen persoonlijk heeft meegemaakt. Het eigen relaas van een betrokkene naast algemene historische gegevens, is daartoe niet toereikend. Het niet volgen van het ambtelijk advies dat ten behoeve van de Wubo-aanvraag van appellant is opgesteld en waarin op basis van “circumstantial evidence” is geconcludeerd dat hij oorlogsgeweld in de zin van de Wubo heeft ondergaan, kan dan ook worden onderschreven. Verder ziet ook de Raad geen aanleiding voor het instellen van een nader onderzoek, zoals namens appellant bepleit, naar mogelijke adresgegevens van de grootouders van appellant. Een dergelijk onderzoek zal immers niet kunnen leiden tot de conclusie dat appellant de gebeurtenissen wel heeft meegemaakt.

2.4.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte standhoudt en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter C.H. Bangma en

R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2015.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) B. Rikhof

HD