Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2650

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2015
Datum publicatie
07-08-2015
Zaaknummer
12-5248 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inpassing van de functie van appellante in de functiefamilie Externe Dienstverleners I. Tegen die inpassing als zodanig zijn geen gronden aangevoerd. Het inpassingsbesluit is bevoegd genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5248 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van

16 augustus 2012, 12/141 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het Drechtstedenbestuur (bestuur)

Datum uitspraak: 6 augustus 2015

INLEIDING

Namens appellante heeft [M.] hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. M.C.J. van den Brekel, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Tijdens het onderzoek ter zitting op 20 maart 2014, waar appellante is verschenen, bijgestaan door [M.] en [S.] , en het bestuur zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E. Nijhof, advocaat, heeft [M.] verzocht om wraking van de behandelend rechter. Hierop is het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij beslissing van 1 mei 2014 (12/5248 AW-W, ECLI:NL:CRVB:2014:1518) heeft de wrakingskamer van de Raad het verzoek om wraking afgewezen.

Op 18 december 2014 is het onderzoek ter zitting hervat. Tijdens deze zitting, waar appellante is verschenen, bijgestaan door [M.] , en het bestuur zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Nijhof, heeft [M.] wederom verzocht om wraking van de behandelend rechter. Hierop is het onderzoek ter zitting weer geschorst.

Bij beslissing van 19 februari 2015 (12/5248 AW-W-2, ECLI:NL:CRVB:2015:520) heeft de wrakingskamer van de Raad dit tweede verzoek om wraking niet in behandeling genomen en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van appellante in de onderhavige zaak niet in behandeling wordt genomen.

Partijen hebben op meerdere momenten na de aanvang van het onderzoek ter zitting op

20 maart 2014 nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting is wederom hervat op 25 juni 2015. Voor appellante zijn verschenen [M.] en [S.] . Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Nijhof.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam bij de gemeente Dordrecht in de functie van senior-consulent bij het Bureau Schuldhulpverlening. Vanwege de overgang van de werkzaamheden naar de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden is appellante per 1 januari 2007 eervol ontslag verleend uit haar dienstverband bij de gemeente Dordrecht en aangesteld bij de Drechtsteden in de functie van senior budgetconsulent bij de afdeling Budgetadvies en Schuldbemiddeling, sector Zorg van de Sociale Dienst Drechtsteden (SDD).

1.2.

Bij besluit van 27 juni 2011 (inpassingsbesluit) is de functie van appellante per 1 april 2011 ingepast in de functiefamilie Externe Dienstverleners I met bandbreedte B, bij Budgetadvies en Schuldbemiddeling 2.

1.3.

Bij besluit van 11 januari 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het inpassingsbesluit ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aan het hoger beroep ligt ten grondslag een na bezwaar gehandhaafd besluit over de inpassing van de functie van appellante in de functiefamilie Externe Dienstverleners I met bandbreedte B, bij Budgetadvies en Schuldbemiddeling 2.

4.2.

Appellante heeft in hoger beroep, evenals in beroep, tegen die inpassing als zodanig geen gronden aangevoerd. Zij heeft zich beperkt tot enkele formele bezwaren tegen het inpassingsbesluit die de Raad hierna zal bespreken.

4.3.1.

Appellante heeft in de eerste plaats gesteld dat het door de directeur van de SDD ondertekende inpassingsbesluit niet bevoegd is genomen omdat de SDD geen orgaan is als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de directeur van de SDD daarom niet bevoegd kan zijn tot het nemen van een inpassingsbesluit.

4.3.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraken van 10 oktober 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE8966, en 26 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5786) kan een gebrek in de bevoegdheid bij het nemen van het primaire besluit worden hersteld bij de beslissing op bezwaar.

4.3.3.

Over het standpunt dat ook de beslissing op bezwaar onbevoegd is genomen overweegt de Raad het volgende.

4.3.4.

Op 8 maart 2006 is de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden (GRD) in werking getreden. De GRD is een publiekrechtelijke regeling die voorziet in de instelling van het openbaar lichaam Drechtsteden, gevestigd te Dordrecht, alsmede in de overdracht van bevoegdheden van de besturen van de deelnemende gemeenten aan het algemeen bestuur van Drechtsteden, de Drechtraad (Drechtraad). Appellante is per 1 januari 2007 in vaste dienst aangesteld bij Drechtsteden en op basis van die aanstelling werkzaam bij de SDD. De Drechtraad heeft op grond van artikel 1, aanhef en onder d, van het Delegatiebesluit Drechtraad de bevoegdheid tot het benoemen, schorsen en ontslaan van ambtenaren die bij de Drechtsteden werken en het nemen van besluiten die daarmee samenhangen - zoals inpassingsbesluiten en beslissingen op een tegen een inpassingsbesluit gemaakt bezwaar - overgedragen aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Drechtsteden, het Drechtstedenbestuur (bestuur).

4.3.5.

Nu de beslissing op bezwaar is ondertekend door de voorzitter en de plaatsvervangend secretaris van het bestuur is, is die beslissing bevoegd genomen. Daarmee is het eventuele aan het primaire besluit klevende gebrek hersteld.

4.4.1.

De Raad hecht er in dit geval aan om - gelet op wat is overwogen in 4.3.2 tot en met 4.3.5 ten overvloede - ter voorlichting van appellante en haar gemachtigden een oordeel te geven over de vraag of het inpassingsbesluit bevoegd is genomen.

4.4.2.

Zoals hiervoor in 4.3.4 is overwogen voorziet de GRD in de overdracht van bevoegdheden van de besturen van de deelnemende gemeenten aan de Drechtraad. De uitvoering van een aantal van die overgedragen bevoegdheden, bijvoorbeeld die ingevolge de Wet werk en bijstand, is ondergebracht bij de SDD als organisatie-onderdeel van het openbaar lichaam Drechtsteden.

4.4.3.

Blijkens artikel 2, eerste lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Drechtstedensecretaris (besluit) heeft het bestuur aan de Drechtstedensecretaris (secretaris) mandaat verleend ten aanzien van de tot het bestuur behorende aangelegenheden. Voor inpassingsbesluiten is geen uitzondering of voorbehoud gemaakt, niet in het besluit zelf en ook niet in de daarbij behorende Bijlage 1 (Aangelegenheden die ingevolge artikel 2, vierde lid van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Drechtstedensecretaris blijven voorbehouden aan het Drechtstedenbestuur). Ook de secretaris is dus bevoegd tot het nemen van inpassingsbesluiten. De secretaris kan op zijn beurt deze bevoegdheid met toepassing van artikel 3, eerste lid, van het besluit mandateren aan de directeuren van Drechtsteden. De secretaris heeft daartoe het Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeuren genomen en in artikel 2, eerste lid, van dat besluit de krachtens artikel 2, eerste lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Drechtstedensecretaris aan hem verleende bevoegdheden gemandateerd aan de directeuren. Ook hier geldt dat voor het nemen van inpassingsbesluiten geen voorbehoud of uitzondering is gemaakt. Dit betekent dat de directeur van de SDD bevoegd was tot het nemen van inpassingsbesluiten en dat het inpassingsbesluit bevoegd is genomen.

4.5.

Wat appellante voor het overige heeft aangevoerd, onder meer over haar re-integratie, haar ontslag per 1 februari 2014 wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, (de nabetaling van) haar bezoldiging en over haar rechtspositie, heeft geen betrekking op de aan het hoger beroep ten grondslag liggende besluitvorming en valt daarom buiten de omvang van het hier voorliggende geding.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2015.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD