Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2630

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
15/362 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij bestreden besluit 2 heeft de Svb, op grond van onjuiste informatie van het PME, een kennelijk onjuist toekenningsbesluit Anw-uitkering genomen. De Anw-uitkering is alsnog met een terugwerkende kracht van vijf jaar herzien over de periode van april 2008 tot en met april 2013. Gebruikmaking van deze discretionaire bevoegdheid wordt terughoudend getoetst. Beleid is aanvaard. Geen aanknopingspunten dat de Svb heeft gehandeld in strijd met de uitgangspunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2015/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 362 ANW

Datum uitspraak: 31 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

8 december 2014, 14/1834 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.H.J. Voncken-Crijns, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Appellante en haar gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 15 mei 2003 heeft de Svb aan appellante een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) toegekend. Daarnaast ontving appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en een uitkering van het Pensioenfonds van de Metalelektro (PME). Deze beide laatste uitkeringen werden als inkomen in verband met arbeid op de Anw-uitkering in mindering gebracht, waardoor de Anw-uitkering niet tot uitbetaling kwam.

1.2.

In september 2013 heeft de Svb naar aanleiding van een telefoongesprek met de zwager van appellante onderzoek gedaan naar de aard van de uitkering die appellante van het PME ontvangt. Uit dat onderzoek is gebleken dat appellante vanaf april 2003 van dat pensioenfonds niet een vut-uitkering heeft ontvangen, maar een nabestaandenuitkering. Laatstgenoemde uitkering is niet van invloed op de hoogte van de Anw-uitkering.

1.3.

Bij besluit van 15 november 2013 is de Anw-uitkering van appellante met één jaar terugwerkende kracht over de periode van april 2012 tot en met december 2012 en april 2013 herzien en is bepaald dat appellante in aanmerking komt voor een nabetaling van € 1.545,74.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 1 mei 2014 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het besluit van 15 november 2013 gehandhaafd, onder overweging dat geen sprake is van een bijzonder geval dat aanleiding geeft de uitkering met een verdergaande terugwerkende kracht te herzien.

2.1.

In beroep heeft de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar van 25 juli 2014 (bestreden besluit 2) genomen. Daarbij is overwogen dat de opgave die de Svb van het PME heeft ontvangen over het soort inkomen van appellante waarschijnlijk nooit juist is geweest en dat het toekenningsbesluit van de Anw-uitkering kennelijk onjuist is geweest. De

Anw-uitkering is alsnog met een terugwerkende kracht van vijf jaar herzien over de periode van april 2008 tot en met april 2013. Bepaald is verder dat appellante in aanmerking komt voor een nabetaling over de periode van april 2008 tot en met maart 2012 van € 8.364,06. In een afzonderlijk besluit van 25 juli 2014 is een vergoeding voor wettelijke rente toegekend over die periode.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1

niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Het hoger beroep van appellante richt zich tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. Appellante handhaaft haar opvatting dat de Svb de herziening van de Anw-uitkering met een langere terugwerkende kracht had moeten doen ingaan dan vijf jaar, namelijk vanaf de datum van de toekenning van de Anw-uitkering. Daarbij heeft appellante benadrukt dat het gaat om een fout van de Svb en dat zij financiële schade heeft geleden. Appellante meent dat in haar geval de beleidsregels van de Svb buiten toepassing moeten worden gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Svb terecht heeft besloten de aan appellante toegekende Anw-uitkering niet met een verdergaande terugwerkende kracht dan vanaf april 2008 te herzien.

4.2.

Mede gelet op de rechtspraak van de Raad in het kader van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht is een bestuursorgaan in beginsel bevoegd ten gunste van een betrokkene terug te komen van een eerder genomen besluit dat in rechte is komen vast te staan. Gebruikmaking van deze discretionaire bevoegdheid kan echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Vastgesteld kan worden dat de Svb voor een verzoek om terug te komen van een onmiskenbaar onjuist rechtens onaantastbaar besluit beleidsregels heeft ontwikkeld die door de Raad, onder meer in de uitspraak van

2 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI1217, in zijn rechtspraak zijn aanvaard. Volgens dit beleid kan een (nabestaanden)uitkering met een terugwerkende kracht van één jaar worden toegekend als de onjuistheid van een eerder besluit niet is te wijten aan een fout van de Svb en met een terugwerkende kracht tot een maximum van vijf jaar als de onjuistheid het gevolg is van een fout van de Svb. Ter zitting is namens de Svb toegelicht dat bij het bepalen van de termijn van vijf jaar aansluiting is gezocht bij de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen tot betaling van periodieke geldsommen zoals bepaald in artikel 3:308 van het Burgerlijk Wetboek.

4.3.

Nu de Svb gevallen als dit geval beoordeelt aan de hand van de hiervoor weergegeven uitgangspunten dient te worden getoetst of de Svb heeft gehandeld in strijd met deze uitgangspunten. In de gedingstukken zijn geen aanknopingspunten gevonden om deze vraag bevestigend te beantwoorden. Hieraan wordt toegevoegd dat de toepassing van deze uitgangspunten in deze zaak niet in strijd komt met enige regel van geschreven of ongeschreven recht. In hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd, ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

4.4.

Het onder 4.2 tot en met 4.3. overwogene leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en E. Dijt en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

31 juli 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) M. Crum

AP