Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2626

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
13/6787 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, zijn psychische problematiek in aanmerking genomen, geen minder kostbare woonruimte kon huren, waar hij met behulp van individuele begeleiding via Housing First, op passende wijze zou kunnen wonen. Ook is niet duidelijk gemaakt waarom hij niet eerder voor deze vorm van begeleid wonen in aanmerking is gebracht zodat hij minder kostbare woonruimte had kunnen betrekken. Belang incidenteel hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1549
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6787 WWB, 14/1082 WWB

Datum uitspraak: 4 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

27 november 2013, 13/3845 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat, hoger beroep ingesteld en een stuk overgelegd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Tevens heeft het college incidenteel hoger beroep ingesteld en een nader stuk overgelegd.

Namens appellant heeft mr. Hest een verweerschrift ingediend tegen het incidenteel hoger beroep.

Partijen hebben over en weer schriftelijk nader op elkaars standpunten gereageerd en nadere stukken overgelegd, zoals hierna toegelicht onder 6 en 7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Voor appellant is

mr. J. van de Wiel verschenen, als waarnemer voor mr. Hest. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van der Zijden en F. P. Koning-Van den Berg van Saparoea, arts.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Hij bewoont sinds

22 november 2011 een kamer in het [woonhotel] aan de [adres] (Woonhotel) en betaalt daarvoor een huur van € 550,- per maand. Hij ontvangt geen huurtoeslag omdat de gehuurde kamer geen zelfstandige woonruimte is.

1.3.

Op 2 januari 2013 heeft appellant bij het college een aanvraag om bijzondere bijstand in zijn woonkosten (woonkostentoeslag) ingediend.

1.4.

Bij besluit van 15 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juni 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming ligt, voor zover hier van belang, ten grondslag dat de Wet op de huurtoeslag moet worden aangemerkt als een passende en toereikende voorliggende voorziening, zodat artikel 15, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) aan verlening van de verzochte bijzondere bijstand in de weg staat. In beroep heeft het college subsidiair aan de motivering van het bestreden besluit toegevoegd, dat de woonkosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd niet noodzakelijk zijn zodat artikel 35 van de WWB aan verlening daarvan in de weg staat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en de verzochte schadevergoeding afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, voor zover hier van belang, dat de Wet op de huurtoeslag niet als voorliggende voorziening kan worden aangemerkt, maar dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de woonkosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd niet noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35 van de WWB.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat er voor hem vanwege zijn psychische problematiek ten tijde hier van belang geen andere woonmogelijkheid was dan het Woonhotel, zodat hij genoodzaakt was om de desbetreffende woonkosten te maken. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij een brief van 21 januari 2014 van zijn behandelend psychiater, A.G. Dijkhuizen en clinical casemanager, F.J. Vos, beiden verbonden aan GGzE, overgelegd. Appellant heeft verzocht om een veroordeling van het college tot vergoeding van de door hem geleden schade, bestaande uit de wettelijke rente over de ten onrechte niet verleende woonkostentoeslag.

4. Het college heeft verweer gevoerd en zich in incidenteel hoger beroep eveneens tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Het college heeft aangevoerd dat de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een passende en toereikende voorliggende voorziening in de zin van artikel 15 van de WWB biedt in de vorm van ‘begeleid wonen’ via een intramurale indicatie (Verblijf en ZZP) of uitgaande van zelfstandig wonen met zorg in functies en klassen. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant hiertoe een indicatie dient aan te vragen bij het CIZ, welke instantie bevoegd is te beslissen welke zorgvoorziening concreet voor appellant is aangewezen. Het college heeft dit standpunt gestoeld op een sociaal medisch advies van 5 mei 2014 van C. Koning-Van den Berg van Saparoea, als arts verbonden aan adviesbureau TriviumPlus. Subsidiair heeft het college aangevoerd dat de door appellant bedoelde woonkosten niet noodzakelijk waren in de zin van artikel 35 van de WWB.

5. Appellant heeft op 5 juni 2014 schriftelijk verweer gevoerd tegen het incidenteel hoger beroep van het college. Het college heeft hierop gereageerd met overlegging van een

sociaal medisch advies van 16 juli 2014 van dr. Koning-Van den Berg van Saparoea.

6. Bij brief van 15 januari 2015 heeft appellant een indicatiebesluit van 21 juli 2014 van het CIZ overgelegd, alsmede andere stukken, en gereageerd op het sociaal medisch advies van

16 juli 2014. Het CIZ heeft bij voormeld besluit voor appellant 4 tot 6.9 uur per week zorg in de vorm van ‘begeleiding individueel’ geïndiceerd met ingang van 21 juli 2014. Voor een persoonsgebonden budget (PGB) is appellant niet in aanmerking gebracht, omdat daartoe een indicatie voor minimaal 10 uur zorg per week was vereist.

7. Bij brief van 9 juni 2015 heeft appellant meegedeeld dat hem inmiddels wegens opgelopen spanningen met medebewoners dringend is verzocht het Woonhotel te verlaten. GGzE heeft voor hem een oplossing gevonden, zodat hij op korte termijn het Woonhotel zal verlaten en een zelfstandige woonruimte zal betrekken met behulp van zeer intensieve begeleiding via Housing First. Hij heeft daarbij laten weten dat hij desondanks vasthoudt aan zijn stelling dat hij recht heeft op woonkostentoeslag over de periode van verblijf in het Woonhotel.

8. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

8.1.

De aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een periodieke woonkostentoeslag dient te worden beoordeeld naar de situatie in de periode vanaf de aanvraag tot en met het besluit tot afwijzing daarvan. De aanvraag dient dan ook te worden beoordeeld naar de situatie in de periode van 2 januari 2013 tot en met 15 januari 2013.

8.2.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dit geval ligt dat niet anders.

8.3.

Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode op de zwarte lijst van de woningcorporaties in [plaats] stond in verband met problemen ten gevolge van zijn psychiatrische problematiek. Deze problematiek, waarvoor hij sinds 1988 psychiatrisch wordt behandeld, uit zich in agressie- en gedragsproblemen: appellant kan boosheid niet beteugelen en handelt impulsief. Tevens zijn er autoriteitsconflicten. Niet alleen zijn sociaal functioneren maar ook de behandelrelatie wordt beïnvloed door zijn psychiatrische problematiek: appellant accepteert wel behandeling in de zin van behandelcontacten en medicatie maar niet een behandelrelatie waarin afspraken worden gemaakt over gezamenlijke doelen. Een therapeutische setting met geïntegreerde behandeling is voor appellant niet haalbaar. Niet in geschil is dat appellant destijds in het Woonhotel is gaan wonen, met niet meer dan een vorm van niet-professionele begeleiding, omdat hij de maatschappelijke hulpverleningsmogelijkheden uitgeput achtte.

8.4.

Appellant heeft aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de woonkosten waarvoor hij bijzondere bijstand heeft aangevraagd noodzakelijk waren in de zin van artikel 35 van de WWB. Hij heeft zich hiertoe op het standpunt gesteld dat hij in de beoordelingsperiode ten gevolge van zijn psychische problematiek geen andere, minder kostbare, woonmogelijkheid had dan het Woonhotel. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8.4.1.

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gesteld dat een zelfstandige woning in de beoordelingsperiode voor hem niet tot de mogelijkheden behoorde, omdat zijn geest daartoe toen nog niet openstond, doordat het verblijf in het Woonhotel toen nog probleemloos verliep. Hem onder die omstandigheid dwingen tot andere huisvesting had gezien zijn persoonlijkheidsstoornis tot moeilijkheden geleid. Appellant heeft deze stelling echter onvoldoende onderbouwd, zodat, gelet op de betwisting ervan door het college, van de juistheid daarvan niet kan worden uitgegaan. Verder brengt de enkele omstandigheid dat appellant ten gevolge van zijn autoriteitsprobleem erbij gebaat is om zelf de regie te kunnen voeren over zijn behandeling en begeleiding op zichzelf niet mee dat een gedwongen verhuizing zonder meer tot onoverkomelijke problemen zou hebben geleid.

8.4.2.

Voorts heeft appellant erop gewezen dat hij op de zwarte lijst van het Woonbedrijf staat en dat de sociale woningcorporaties alleen hun medewerking aan huisvesting van appellant in een zelfstandig appartement geven wanneer intensieve begeleiding, zoals geboden door Housing First, gegarandeerd is. Zoals echter het college ter zitting van de Raad onweersproken naar voren heeft gebracht, stond voor appellant ook de mogelijkheid van kamerhuur open, waarop de zwarte lijst niet van toepassing is. Bovendien huisvest Housing First al vanaf november 2011 cliënten, zodat appellant mogelijk ook eerder voor bewoning van een zelfstandig appartement met begeleiding in aanmerking had kunnen komen. De omstandigheid dat appellant op de zwarte lijst van het Woonbedrijf stond is daarom niet van doorslaggevende betekenis bij de beoordeling van de noodzaak van de hoge woonkosten.

8.4.3.

Tot slot heeft appellant naar voren gebracht, dat het feit dat hij thans voor begeleiding via Housing First in aanmerking wordt gebracht, gelet op de strenge selectiecriteria voor dit traject, aantoont dat geen enkel maatschappelijk opvangcentrum geschikt is hem op te vangen dan wel te huisvesten. Daaruit volgt volgens appellant dat in de te beoordelen periode verblijf in het Woonhotel de enige woonoptie voor hem was. Dat begeleiding via Housing First slechts mogelijk is voor degene voor wie geen enkel maatschappelijk opvangcentrum geschikt is, is in dit verband niet van betekenis, omdat appellant zich ook in de te beoordelen periode al in die situatie bevond. Dit was immers de reden, zoals appellant zelf naar voren heeft gebracht, dat hij in het Woonhotel is gaan wonen. Zoals niet in geschil is, is het Woonhotel, hoewel wellicht in zekere zin beschermend, niet als maatschappelijk opvangcentrum aan te merken. Dat appellant daar gedurende enige jaren naar tevredenheid heeft gefunctioneerd en de rust van verblijf in het Woonhotel hem goed deed doet daaraan niet af. Voorts is de enkele opmerking van de behandelaar van appellant dat er destijds geen andere optie was, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, in het licht van het voorgaande ontoereikend om tot de conclusie te komen dat het voor appellant in de te beoordelen periode noodzakelijk was om in het Woonhotel te wonen.

8.5.

Uit 8.4.1 tot en met 8.4.3 vloeit voort dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, zijn psychische problematiek in aanmerking genomen, geen minder kostbare woonruimte kon huren, waar hij met behulp van individuele begeleiding via Housing First, op passende wijze zou kunnen wonen. Appellant heeft niet duidelijk gemaakt waarom hij niet eerder voor deze vorm van begeleid wonen in aanmerking is gebracht, zodat hij eerder een minder kostbare woonruimte had kunnen betrekken. Die begeleiding kon, zoals niet in geschil is, ten tijde hier van belang worden bekostigd vanuit de AWBZ, zoals thans vanuit de gemeente in het kader van de Wet maatschappelijk ondersteuning (WMO). Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de beoordelingsperiode op die zorg geen aanspraak kon maken. Hij heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij toen nog niet had kunnen beschikken over de indicatie voor een aantal uren ‘begeleiding individueel’, zoals hem eerst naar aanleiding van zijn aanvraag van 16 juni 2014 door het CIZ is toegekend. De enkele omstandigheid dat het niet eerder tot een aanvraag voor een zorgindicatie is gekomen, doordat appellant naar tevredenheid woonde in het Woonhotel, biedt hiervoor niet een toereikende verklaring. Dit klemt te meer nu Housing First zoals gezegd reeds in 2011 operationeel was en GGzE, waar appellant ook ten tijde hier van belang al onder behandeling was, in Housing First participeerde.

8.6.

Wat onder 8.5 is overwogen betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de hoge woonkosten van het Woonhotel voor appellant niet noodzakelijk waren omdat hij met behulp van de vanuit de AWBZ bekostigde zorg in de vorm van ‘begeleiding individueel’ minder kostbare woonruimte had kunnen betrekken. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak dan ook terecht geoordeeld dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd niet noodzakelijk waren in de zin van artikel 35 van de WWB.

8.7.

Wat onder 8.1 tot en met 8.6 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

8.8.

Aan het incidenteel hoger beroep heeft het college subsidiair ten grondslag gelegd dat de afwijzing van het verzoek om woonkostentoeslag in stand kan blijven omdat de hoge woonkosten voor appellant niet noodzakelijk waren. Nu de aangevallen uitspraak berust op precies die overweging en die uitspraak om die reden in stand zal worden gelaten, heeft het college bij beoordeling van het incidenteel hoger beroep geen belang. Het enkele feit dat het college een uitspraak wenst over de primaire grond van het incidenteel hoger beroep met betrekking tot de vraag of in een geval als dit de AWBZ als voorliggende voorziening moet worden aangemerkt is onvoldoende om zulk een belang aan te nemen, nog daargelaten dat deze vraag niet in de aangevallen uitspraak is behandeld.

8.9.

Gelet op 8.8 is het incidenteel hoger beroep niet ontvankelijk.

9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en F. Hoogendijk en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD