Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2625

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
13/6430 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand gedurende één maand met 30% wegens het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Door zich verbaal agressief te gedragen tegenover de keuringsarts en daarbij een dreigende houding aan te nemen door met zijn hand op tafel te slaan, heeft appellant het de keuringsarts redelijkerwijs onmogelijk gemaakt om medisch onderzoek te doen. Daarmee heeft appellant onvoldoende meegewerkt aan een onderzoek naar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, zoals bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, van de Maatregelenverordening. Geen grond voor het oordeel dat appellant geen enkel verwijt treft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6430 WWB

Datum uitspraak: 4 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

18 oktober 2013, 13/2111 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijk Sociale Dienst Bollenstreek (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Karache, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2015. Appellant is niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.H. Molema.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

In het kader van een beoordeling van de mogelijkheden van appellant tot arbeidsinschakeling heeft het dagelijks bestuur de GGD Hollands Midden (GGD) verzocht om appellant medisch te onderzoeken. De GGD heeft het dagelijks bestuur bij brief van

14 juni 2012 geïnformeerd dat appellant zich tijdens het spreekuur op 11 juni 2012 heeft misdragen door te schelden en de keuringsarts te mishandelen. De GGD heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie en zal geen medisch advies uitbrengen. Naar aanleiding hiervan heeft een consulent, werkzaam bij de Intergemeentelijk Sociale Dienst Bollenstreek, appellant uitgenodigd voor een gesprek op 10 augustus 2012 om de gang van zaken bij de GGD toe te lichten. Nadat appellant de afspraak had afgezegd, heeft de consulent appellant opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 29 augustus 2012. Appellant heeft ook die afspraak afgezegd. Vervolgens heeft op 30 augustus 2012 telefonisch contact plaatsgevonden tussen appellant en de consulent. Appellant heeft daarbij gesteld dat de keuringsarts tijdens het spreekuur discriminerende uitlatingen had gedaan.

1.3.

Bij besluit van 3 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 januari 2013 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur, onder verwijzing naar artikel 10, derde lid, aanhef en onder b, van de Maatregelenverordening ISD Bollenstreek 2012 (Maatregelenverordening), bij wijze van maatregel de bijstand van appellant met ingang van

1 oktober 2012 gedurende één maand met 30% verlaagd wegens het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant zich dermate ernstig heeft misdragen ten opzichte van de keuringsarts dat deze niet meer bereid was om een medisch rapport uit te brengen over de kansen en mogelijkheden van appellant op de arbeidsmarkt alsmede dat dit appellant volledig te verwijten is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe - samengevat weergegeven - overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat appellant zich ten tijde van het spreekuur bij de GGD schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstige misdraging. De rechtbank kent doorslaggevende betekenis toe aan de verklaring van de keuringsarts van 13 juni 2012. Appellant heeft door zijn opstelling niet meegewerkt aan het onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Voorgaande neemt niet weg dat het bestreden besluit voor wat betreft de onderbouwing onzorgvuldig en in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand is gekomen. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur een brief van de GGD van 14 juni 2012 ten grondslag gelegd. In het kader van een zorgvuldige voorbereiding had van het dagelijks bestuur mogen worden verwacht dat hij bij de totstandkoming van het bestreden besluit de verklaring van de keuringsarts had opgevraagd en deze bij de beoordeling had betrokken. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat deze verklaring in de beroepsfase alsnog is overgelegd en de verklaring er niet toe leidt dat de bestreden maatregel niet kan worden gehandhaafd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor hier van toepassing zijnde bepalingen van de WWB en de Maatregelenverordening verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant samen met zijn echtgenote op 11 juni 2012 is verschenen op het spreekuur van een keuringsarts van de GGD voor een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2.

Uit de verklaring van de keuringsarts van 13 juni 2012 komt de volgende gang van zaken naar voren. Appellant is tijdens het gesprek driemaal geagiteerd geraakt. Daarbij heeft hij meerdere malen zijn stem verheven en met de hand op tafel geslagen. De keuringsarts heeft verklaard dat hij de eerste twee maal appellant met de-escalerende gesprekstechnieken tot rust heeft gekregen. Appellant heeft op een gegeven moment de keuringsarts verteld over een conflict dat hij met zijn huisarts heeft. Op de vraag van appellant wat de keuringsarts hiervan vond, heeft de keuringsarts geantwoord dat hij hierover geen mening had. Daarop is appellant driftig zijn medicijnen, die op tafel lagen, gaan teruggooien in een tas. De keuringsarts heeft toen aan appellant gevraagd of hij boos was op hem, waarop appellant heeft gezegd: u bent een moslimhater. Volgens de keuringsarts was bij hem de grens van het redelijke bereikt en heeft hij appellant gezegd dat deze belediging te ver ging en dat hij het gesprek ging beëindigen. Appellant was niet van plan de spreekkamer te verlaten en heeft wederom gezegd dat de keuringsarts een moslimhater was. Hierop heeft de keuringsarts gezegd dat appellant onmiddellijk zijn spreekkamer moest verlaten. Appellant is opgestaan en heeft de keuringsarts bij de deuropening een kopstoot gegeven.

4.3.

De Raad ziet, evenals de rechtbank, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de keuringsarts. Appellant heeft de feiten zoals weergegeven in de

onder 4.2 bedoelde verklaring niet overtuigend en op gedetailleerde wijze weersproken. Aan de verklaring van de echtgenote van appellant, zoals opgenomen in een sociaal maatschappelijk rapport van 1 juli 2013 van Fadis-Advies, kan niet de waarde worden gehecht die appellant daaraan toegekend wil zien. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan de echtgenote van appellant niet worden aangemerkt als een onafhankelijke derde, die geen belang heeft bij de uitkomst van het onderzoek. Bovendien heeft het gesprek waarin zij deze verklaring heeft afgelegd, geruime tijd na 12 juni 2012 plaatsgevonden. De rechtbank heeft dan ook terecht doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaring van de keuringsarts.

4.4.

Door zich verbaal agressief te gedragen tegenover de keuringsarts en daarbij een dreigende houding aan te nemen door met zijn hand op tafel te slaan, heeft appellant het de keuringsarts redelijkerwijs onmogelijk gemaakt om medisch onderzoek te doen. Daarmee heeft appellant onvoldoende meegewerkt aan een onderzoek naar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, zoals bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, van de Maatregelenverordening.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat het niet meewerken aan een onderzoek op grond van artikel 10, derde lid, onder b, van de Maatregelenverordening betrekking heeft op een intern (bijstands)onderzoek en niet op een extern medisch onderzoek. Dit betoog slaagt niet. Een medisch onderzoek door de GGD, zoals hier aan de orde, moet worden aangemerkt als een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, van de Maatregelenverordening. Dit onderzoek kan duidelijkheid geven over de vraag of uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt voor appellant medisch gezien al dan niet mogelijk is. Bovendien is het niet aan appellant maar aan het dagelijks bestuur om te bepalen welke re-integratievoorziening voor een belanghebbende is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel, arbeidsinschakeling, te bereiken en welk onderzoek daarvoor eventueel noodzakelijk is. De Raad ziet geen reden op grond waarvan het dagelijks bestuur in dit geval had moeten afzien van een medisch onderzoek door de GGD.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het dagelijks bestuur was gehouden appellant een maatregel op te leggen overeenkomstig de Maatregelenverordening, tenzij geoordeeld moet worden dat elke verwijtbaarheid ontbrak. De - door de keuringsarts overigens weersproken - stelling van appellant dat, ondanks zijn kenbaar gemaakte bezwaar daartegen, de keuringsarts hem en zijn echtgenote gelijktijdig en in bijzijn van elkaar medisch wilde onderzoeken, wat daar verder ook van zij, rechtvaardigt niet de gedraging van appellant tegenover de keuringsarts. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat appellant geen enkel verwijt treft met betrekking tot het onvoldoende meewerken aan het onderzoek naar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.7.

Appellant heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur had moeten volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing in plaats van het opleggen van een maatregel. Hiertoe biedt artikel 6, eerste lid, van de Maatregelenverordening echter geen ruimte. Uit de toelichting op artikel 6, eerste lid, van de Maatregelenverordening blijkt dat in gevallen dat sprake is van een niet tijdige registratie bij het Uwv werkbedrijf of het verlengen daarvan of van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting zonder dat dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand in plaats van een maatregel een waarschuwing kan worden opgelegd. Hiervan is in het voorliggend geval geen sprake. De door appellant bedoelde gehoudenheid volgt evenmin uit enige andere (wettelijke) bepaling.

4.8.

Appellant heeft de hoogte en duur van de opgelegde maatregel niet bestreden.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.G.M. Rijnberk als leden in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C. Moustaïne

HD