Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2621

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
14/1902 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:1299, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstand. Appellant verkeert niet in bijstandbehoevende omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1902 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 februari 2014, 13/3706 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.F.M. den Hollander, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft, desgevraagd, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Den Hollander. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Dinç.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 24 september 2012 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand om te voorzien in zijn kosten voor levensonderhoud als alleenstaande.

1.2.

Tijdens een intakegesprek op 26 september 2012 heeft appellant gemeld dat hij gedurende een aantal jaren voor anderen hennep heeft geknipt en daaruit inkomen heeft ontvangen, waarvan hij opgave heeft gedaan aan de Belastingdienst. De laatste drie maanden heeft appellant geleefd van het geld dat hij van zijn moeder heeft gekregen, een bedrag van circa € 5.000,-. Uit de door appellant ingeleverde afschriften van zijn bankrekening blijkt dat in elk geval vanaf 1 januari 2011 frequente contante stortingen hebben plaatsgevonden van gemiddeld ruim € 1.400,- per maand. Het college heeft appellant onder meer verzocht aan de hand van bewijsstukken de herkomst van de kasstortingen aan te tonen, hoe hij vanaf 1 april 2006 in zijn levensonderhoud heeft voorzien, gegevens over de werkgevers die hij heeft gehad, bewijs van de beëindiging van zijn werkzaamheden en de gegevens over zijn inkomen die ten grondslag hebben gelegen aan de belastingaanslagen die de Belastingdienst over de jaren 2011 en 2012 aan appellant heeft opgelegd. Appellant heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven.

1.3.

Bij besluit van 12 november 2012 heeft het college afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om bijstand. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant niet aan de hand van bewijsstukken heeft aangetoond wat de herkomst was van de contante stortingen op zijn bankrekening en dat hij niet heeft aangetoond voor welk inkomen hij door de Belastingdienst is aangeslagen over de jaren 2011 en 2012. Bij besluit van 3 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 12 november 2012 ongegrond verklaard. In de door appellant op 13 maart 2013 opgestelde verklaring (verklaring) over zijn werkzaamheden in de hennepteelt van april 2006 tot en met juni 2012 en de inkomsten daaruit en de herkomst van de kasstortingen alsmede de belastingaangiften die de boekhouder van appellant heeft verzorgd over de jaren 2009 tot en met 2011 heeft het college geen aanleiding gezien om het besluit van 12 november 2012 te herroepen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om periodieke bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 24 september 2012 tot en met 12 november 2012.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand voor levensonderhoud. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie in de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt aangevraagd.

4.4.

Appellant heeft in de verklaring toegelicht dat hij van april 2006 tot en met juni 2012 als opschoner in de hennepteelt heeft gewerkt en dat hij daarvoor in contanten werd betaald door een viertal personen waarvan appellant alleen voornamen heeft opgegeven. Volgens appellant heeft hij deze bedragen op zijn eigen rekening gestort. Voorts heeft appellant in de verklaring toegelicht dat hij in augustus 2012 tweemaal een bedrag van € 1.000,- en in september 2012 € 450,- en € 200,- van zijn moeder heeft ontvangen om in zijn levensonderhoud en vaste lasten te voorzien en die bedragen op zijn bankrekening heeft gestort. Appellant heeft als bewijs van de bedragen die hij van zijn moeder heeft ontvangen in beroep een daartoe strekkende schriftelijke verklaring van zijn zuster van 4 juli 2013 ingebracht. Voorts heeft appellant in beroep onder meer aanslagen van de Belastingdienst over de jaren 2009 tot en met 2012 overgelegd.

4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat ook na de in beroep overgelegde stukken onvoldoende duidelijkheid over de financiële situatie van appellant in de periode voorafgaande aan de bijstandsaanvraag bestaat. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat de jaarsaldi van de kasstortingen niet overeenkomen met de inkomsten die appellant in de betreffende jaren aan de Belastingdienst heeft opgegeven. Ook in hoger beroep heeft appellant daarover geen opheldering verschaft. Zo heeft appellant volgens de verklaring in de eerste helft van 2012 € 10.630,- aan inkomsten uit hennepteelt ontvangen en heeft hij in de tweede helft van 2012 in het geheel geen inkomsten ontvangen, terwijl de aanslag Inkomstenbelasting en Premie volksverzekering 2012 is gebaseerd op een inkomen van € 18.244,-. Volgens appellant kan het verschil mogelijk worden verklaard doordat zijn boekhouder een te hoog bedrag aan inkomsten aan de Belastingdienst heeft opgegeven. Op voorhand is evenwel niet aannemelijk dat een boekhouder bij een belastingaangifte een beduidend hoger inkomen opgeeft dan de belastingplichtige daadwerkelijk in het betreffende jaar heeft ontvangen. Appellant heeft ook niet ter ondersteuning van dit standpunt een daartoe strekkende verklaring van zijn boekhouder ingeleverd. Evenmin heeft appellant de stukken, die aan zijn belastingaangifte over 2012 ten grondslag hebben gelegen, ingeleverd waaruit de aard en omvang van de inkomsten en de periode(n) in 2012 waarin deze zijn verkregen kunnen worden afgeleid. Daardoor is onduidelijk gebleven welke inkomsten appellant in 2012 heeft ontvangen en ook of hij in de te beoordelen periode geheel zonder inkomsten is geweest.

4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat het college aan hem met ingang van

30 mei 2013 bijstand heeft toegekend en dat hij daarbij geen andere gegevens heeft verstrekt dan bij de aanvraag hier in geding. Het college heeft dit betwist. Volgens het college zijn bij die nieuwe aanvraag de bankafschriften van appellant over een periode van drie maanden voorafgaande aan die aanvraag onderzocht en is daarbij geconstateerd dat geen kasstortingen meer hebben plaatsgevonden. Mede om die reden bestond geen onduidelijkheid meer over de financiële situatie van appellant ten tijde van die aanvraag. Appellant heeft dit standpunt van het college niet bestreden. Daaruit volgt dat aan de toekenning van bijstand met ingang

30 mei 2013 niet de conclusie kan worden verbonden dat appellant ook in de hier te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en

S. Hindriks-Roose als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2015.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

IJ