Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2618

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
14/1391 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Postadres. Intrekking bijstand. Onduidelijke woon- en leefsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1391 WWB

Datum uitspraak: 4 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 januari 2014, 13/6059 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.E. Dirks, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 2 juni 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 30 oktober 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) laten weten te verblijven op het adres [adres 1] (verblijfadres), maar dat hij niet op dat adres kan worden ingeschreven. Om die reden heeft het college appellant bij brief van 14 november 2012 toestemming verleend om tot en met 31 december 2012 het adres van de DWI, [adres 2] als postadres te gebruiken. Het college heeft hieraan onder meer de voorwaarde verbonden dat appellant eenmaal per twee weken zijn post ophaalt onder vertoon van zijn legitimatiebewijs.

1.2.1.

Bij brief van 24 april 2013 heeft het college appellant opgeroepen voor een gesprek op 7 mei 2013 om te bespreken op welke wijze zijn in 1.1 genoemde postadres kan worden gewijzigd in een vast inschrijvingsadres. Appellant heeft geen gehoor gegeven aan deze oproep.

1.2.2.

Naar aanleiding van een bericht van de advocaat van appellant dat appellant weg moet uit de woning op het verblijfadres en omdat de termijn om gebruik te mogen maken van het postadres was verstreken, was een handhavingsspecialist van de DWI inmiddels een onderzoek gestart naar de woonsituatie van appellant.

1.2.3.

Bij besluit van 28 mei 2013 heeft het college het recht op bijstand met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB opgeschort per 3 mei 2013. In dit besluit is vermeld dat de DWI heeft vernomen dat appellant sinds 3 mei 2013 niet meer verblijft op het verblijfsadres en dat appellant daarom gegevens moet verstrekken over zijn verblijfssituatie vanaf die datum. In verband daarmee is appellant opgeroepen voor een gesprek op 5 juni 2013 met de inkomensspecialist en de handhavingsspecialist. Hierbij heeft het college erop gewezen dat appellant een aantal nader genoemde gegevens moet meenemen en dat zijn uitkering wordt beëindigd als hij daaraan geen gevolg geeft. Appellant is zonder bericht niet verschenen. De inkomensspecialist heeft het besluit van 28 mei 2013 op die datum in het postvak op het postadres gelegd.

1.3.

Bij besluit van 10 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 september 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ingetrokken met ingang van 1 juni 2013. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de wettelijke inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden door het college niet correct en onverwijld te informeren over zijn woon- en leefsituatie en door niet te reageren op de oproepen voor gesprekken op 7 mei 2013 en 5 juni 2013. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het college het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd omdat het niet heeft gereageerd op de gestelde psychische en financiële problemen van appellant. De rechtbank stelt echter vast dat appellant de gestelde problemen niet heeft onderbouwd en heeft om die reden de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat het college op grond van artikel 18 van de WWB en de

artikelen 2 en 4 van de Verordening maatregelen handhaving en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen (Verordening) had moeten beoordelen of het intrekken van de bijstand onrechtmatig en buitenproportioneel is. Het college heeft volgens appellant voorts op onjuiste wijze vastgesteld dat hij niet eens in de twee weken zijn post zou zijn komen ophalen. Daarnaast had de post moeten worden doorgezonden naar het verblijfsadres en appellant stelt uitdrukkelijk dat namens hem geen mededeling is gedaan dat hij niet langer op dit adres kon blijven. Appellant heeft tenslotte aangevoerd dat niet is gebleken dat DWI met hem op 5 juni 2013 een gesprek had willen voeren over het wegvallen van zijn verblijfsadres aan de [adres 1] zodat hem niet kan worden verweten dat hij niet heeft meegewerkt aan het vaststellen van het recht op bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 juni 2013 tot en met 10 juni 2013.

4.2.

Gelet op het in 1.2.2 bedoelde bericht dat appellant de woning op het verblijfsadres diende te verlaten, bestond onduidelijkheid over de feitelijke verblijfplaats van appellant. Appellant had daarover opheldering moeten verschaffen tijdens het gesprek op 5 juni 2013 waarvoor hij was opgeroepen. Dit is, zoals uit 1.2.3 blijkt, ook duidelijk verwoord in het opschortingsbesluit van 28 mei 2013. Door zonder bericht geen gehoor te geven aan de oproep voor het gesprek op 5 juni 2013 heeft appellant de voor het vaststellen van zijn feitelijke verblijfplaats - en daarmee voor het recht op bijstand - benodigde gegevens niet verstrekt. Dit betekent dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu onduidelijkheid is blijven bestaan over de feitelijke verblijfplaats van appellant in de te beoordelen periode, kan als gevolg van deze schending het recht op bijstand in die periode niet worden vastgesteld.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het college bevoegd was de bijstand van appellant in te trekken met ingang van 1 juni 2013. Reeds omdat het hier de intrekking van de bijstand van appellant betreft en niet een aan appellant opgelegde maatregel slaagt het beroep op artikel 18 van de WWB en de Verordening niet.

4.4.

Met zijn stellingen over het verzendadres van het opschortingsbesluit van 28 mei 2013 en het ophalen van de post heeft appellant willen betogen dat hem niet kan worden verweten dat hij geen gehoor heeft gegeven aan de oproep voor het gesprek op 5 juni 2013. Dit betoog slaagt niet. Anders dan appellant stelt, lag het niet op de weg van het college zijn post door te sturen naar het verblijfsadres. Immers, juist omdat appellant verbleef op een adres waar hij zich niet kon inschrijven, heeft het college appellant toestemming verleend voor het gebruik van het postadres. Vaststaat dat appellant zijn post in ieder geval in de periode van 27 mei 2013 tot en met 5 juni 2013 niet heeft opgehaald: op 5 juni 2013 heeft de handhavingsspecialist geconstateerd dat in het postvak van appellant op het postadres het opschortingsbesluit van 28 mei 2013 lag en ook nog een brief van 27 mei 2013. Dit komt voor risico en rekening van appellant, te meer omdat hij er tijdens een telefoongesprek met zijn klantmanager op 17 mei 2013 al van op de hoogte was gesteld dat hij een brief met een nieuwe afspraak kon verwachten.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C. Moustaïne

HD