Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2614

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
14/2042 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Kentekens op naam. Verzwegen bankrekening. Kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening. Schending inlichtingenverplichting. Recht op bijstand is gedurende een gedeelte van de totale periode wel vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2042 WWB

Datum uitspraak: 4 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 maart 2014, 13/6159 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 9 februari 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een melding op 18 juni 2012 van een medewerker van de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam aan de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) dat appellant een verzoek tot schuldenregeling heeft ingediend en dat is gebleken dat met ingang van 18 juni 2012 een bedrijfswagen op zijn naam staat geregistreerd, heeft een handhavingsspecialist van de DWI een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsspecialist onder meer dossieronderzoek verricht, verschillende registraties, waaronder de Dienst Wegverkeer (RDW), geraadpleegd, bankafschriften opgevraagd en appellant gehoord. Uit informatie van de RDW is onder meer naar voren gekomen dat in totaal 19 voertuigen op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan, waarvan zes voertuigen in de uitkeringsperiode. Verder bleek dat appellant een bankrekening bij ABN-Amro op zijn naam had staan, waarvan hij geen melding had gemaakt bij het college. De op deze bankrekening voorkomende kasstortingen en bijschrijvingen tot een totaalbedrag van € 11.485,- heeft appellant evenmin bij het college gemeld. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 oktober 2012.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 4 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 december 2012, de bijstand van appellant met ingang van 30 augustus 2012 in te trekken. Tegen het besluit van

21 december 2012 heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.4.

Bij besluit van 7 juni 2013 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 9 februari 2010 tot en met 29 augustus 2012 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 43.774,98 van appellant teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 12 september 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 juni 2013 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de bankrekening bij ABN-Amro en de daarop gedane stortingen en bijschrijvingen. Daarnaast heeft appellant geen melding gemaakt van de kentekens van auto’s die op zijn naam hebben gestaan en is aannemelijk dat met betrekking tot deze auto’s transacties hebben plaatsgevonden. Appellant heeft geen deugdelijke administratie of boekhouding bijgehouden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De in dit geding te beoordelen periode loopt van 9 februari 2010 tot en met 29 augustus 2012.

4.2.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat appellant geen melding heeft gemaakt van de kentekens en de ABN-Amro bankrekening op zijn naam en dat hij daarmee de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. In geschil is of ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand kan worden vastgesteld.

4.3.

Indien ondanks schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient het bijstandverlenend orgaan daartoe volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243) over te gaan. Er is dan geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Kentekens op naam

4.4.

Uit de gegevens van de RDW blijkt dat in de maanden september 2011, november 2011, januari 2012 en juni 2012 zes kentekens van voertuigen op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan. De tenaamstellingen zijn vaak van korte duur geweest en de voertuigen zijn geëxporteerd. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) heeft het college, gelet op die gegevens, aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot de voertuigen transacties hebben plaatsgevonden. De datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, is de datum waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. Controleerbare gegevens over de transacties, waaronder begrepen gegevens over de daaruit ontvangen inkomsten, ontbreken. Daarom kan het recht op bijstand over de maanden waarin de transacties hebben plaatsgevonden niet worden vastgesteld.

4.5.

Het college heeft zich ten aanzien van de maanden september 2011, november 2011, januari 2012 en juni 2012 dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening

4.6.

Aanleiding bestaat om wat betreft de kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van appellant onderscheid te maken in twee periodes. De eerste periode loopt van 9 februari 2010 tot 1 september 2011. In deze periode hebben alleen kasstortingen plaatsgevonden op

1 april 2010 (€ 100,-), 12 juli 2010 (€ 50,-), 19 oktober 2010 (€ 40,-) en op 9 maart 2011 (€ 35,-). Appellant heeft terecht aangevoerd dat het college in de eerste periode geen concrete feiten en omstandigheden heeft kunnen aanwijzen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat appellant méér inkomsten heeft gehad dan de bedragen die door de kasstortingen op de bankrekening van appellant werden bijgeschreven. Anders dan het college stelt, blijkt uit de door appellant overgelegde bankafschriften niet dat de bankrekening in deze periode intensief werd gebruikt en dat sprake was van autohandel. In deze periode hebben geen kentekens van voertuigen op naam van appellant gestaan.

4.7.

Hoewel de herkomst van de kasstortingen op de bankrekening niet kan worden vastgesteld omdat appellant hierover geen concrete en verifieerbare gegevens heeft overgelegd, kan wel worden vastgesteld of de kasstortingen als inkomen dan wel als vermogen dienen te worden aangemerkt. Middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen kunnen worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud en worden aangemerkt als inkomen. Gelet op de omstandigheid dat regelmatig op de bankrekening van appellant kasstortingen zijn gedaan en gelet op de hoogte van de bedragen, moeten deze in dit geval worden aangemerkt als inkomen van appellant als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB over de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden. Hierbij is mede van belang dat appellant de bedragen direct heeft kunnen aanwenden voor het dagelijks levensonderhoud. Het college had dan ook moeten volstaan met het in mindering brengen van de bedragen van de kasstortingen over de maanden waarin deze stortingen hebben plaatsgevonden.

4.8.

De tweede periode waarin kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van appellant hebben plaatsgevonden loopt van 1 september 2011 tot en met 29 augustus 2012. Het college heeft zich ten aanzien van deze periode terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van concrete feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat appellant op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Daartoe is van belang dat in deze periode de in 4.4 genoemde zes voertuigen op naam van appellant hebben gestaan. Uit de bankafschriften blijkt verder dat appellant regelmatig betalingen heeft verricht bij benzinestations. Appellant heeft op 30 augustus 2012 verklaard dat hij wel eens een auto voor iemand anders heeft gekocht en op zijn naam heeft gezet om de auto direct de volgende dag te laten verschepen. Appellant heeft op 17 september 2012 verklaard dat de stortingen afkomstig zijn van kennissen uit Ghana, onder wie [naam] . Hij krijgt contant geld van de mensen die uit Ghana komen, stort het geld op zijn rekening en betaalt daar de benzine van om op zoek te gaan naar auto’s. Op de bankrekening van appellant zijn in de tweede periode veelvuldig bedragen variërend van € 40,- tot € 1.000,- gestort en een drietal bedragen ter hoogte van € 3.500,-, € 3.000,- en € 1.500,- bijgeschreven. Omdat appellant geen boekhouding heeft bijgehouden van de door hem verrichte werkzaamheden, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand over deze periode niet is vast te stellen.

4.9.

Appellant heeft zich er nog op beroepen dat bij hem de verwachting is gewekt dat na het besluit van 4 oktober 2012 geen nader besluit tot intrekking en terugvordering over de aan

30 augustus 2012 voorafgaande periode zou volgen. De Raad kan appellant daarin niet volgen. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is hier geen sprake. Overigens is er geen wettelijke bepaling die zich verzet tegen een (nader) besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over een periode die voorafgaat aan een datum met ingang waarvan de bijstand eerder werd beëindigd of over een periode waarover de bijstand eerder werd ingetrokken,

4.10.

Uit 4.4 tot en met 4.9 volgt dat het college in het bestreden besluit ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat het recht op bijstand over de periode van 9 februari 2010 tot

1 september 2011 niet is vast te stellen. Dit brengt mee dat de intrekking van de bijstand over deze periode geen stand kan houden. Hieruit volgt ook dat de terugvordering niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

4.11.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen niet in stand worden gelaten. De Raad heeft onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal het college daarom opdracht geven om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op de bezwaren van appellant te nemen. Daarbij dient het college tevens te beslissen over het verzoek van appellant om vergoeding van schade bestaande uit de wettelijke rente over de ten onrechte teruggevorderde bijstand, voor zover appellant reeds tot terugbetaling is overgegaan.

4.12.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 september 2013 gegrond;

- vernietigt het besluit van 12 september 2013, voor zover het de intrekking over de periode

van 9 februari 2010 tot 1 september 2011 betreft en de terugvordering in zijn geheel;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant tegen het besluit

van 7 juni 2013 te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.940,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C. Moustaïne

HD