Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
12/5618 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bij het bestreden besluit gehandhaafde toepassing van artikel 12 van de AOW niet leidt tot een schending het Unierecht of van artikel 1 Eerste Protocol. Korting op partnertoeslag. Omvang geding. Fundamentele procedurevoorschriften. Motiveringsverplichting. Nationale regeling. Unierecht, behoud van een hoog niveau van sociale bescherming, verboden onderscheid op grond van geslacht, verboden onderscheid op grond van leeftijd, prejudiciële vragen. Het recht op bescherming van eigendom.

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet
Algemene Ouderdomswet 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/299
NJB 2015/1506
PJ 2015/145
RSV 2015/251

Uitspraak

12/5618 AOW

Datum uitspraak: 24 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 september 2012, 11/6231 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , België (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De gronden van dit hoger beroep heeft appellant in verschillende geschriften toegelicht.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2015. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door K. van Ingen.

OVERWEGINGEN

Feiten

1.1.

Appellant is geboren [in 1] 1942 en is in 2003 vanuit Nederland samen met zijn [in 2]

1951 geboren echtgenote naar België verhuisd. Appellant heeft tot 1 juli 2004 werkzaamheden in Nederland verricht.

1.2.

De Svb heeft appellant met ingang van mei 2007 op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) een ouderdomspensioen toegekend naar de norm die geldt voor een gehuwde pensioengerechtigde, vermeerderd met een partnertoeslag. Daarbij is op het ouderdomspensioen een korting toegepast van 4% op de aan artikel 13, eerste lid, van de AOW ontleende grond dat appellant over (afgerond) twee kalenderjaren niet verzekerd is geweest voor de AOW. Op de partnertoeslag is een korting toegepast van 42% op de aan artikel 13, tweede lid, van de AOW ontleende grond dat de echtgenote van appellant

21 kalenderjaren niet verzekerd is geweest voor de AOW. De bezwaren van appellant tegen toepassing van genoemde kortingen van 4% en 42% zijn door de Raad bij uitspraak van

30 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0485, verworpen. De echtgenote van appellant heeft geen eigen inkomen dat ingevolge artikel 10 van de AOW kan leiden tot een extra korting op de partnertoeslag.

1.3.

Bij besluit van 18 augustus 2011 heeft de Svb de aan appellant toegekende partnertoeslag met ingang van augustus 2011 verlaagd met € 41,50 bruto per maand tot € 373,47 bruto per maand in verband met de hoogte van het gezamenlijk inkomen van appellant en zijn echtgenote.

1.4.

De bezwaren van appellant tegen deze korting op de partnertoeslag heeft de Svb bij besluit van 13 december 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 12 van de AOW zoals die bepaling per 1 augustus 2011 luidt.

1.5.

Het beroep van appellant tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Ook is bij de aangevallen uitspraak afwijzend beslist op een door appellant ingediend verzoek om gevolgschade te vergoeden.

1.6.

Appellant kan zich er niet mee verenigen dat de hem op grond van de AOW toegekende partnertoeslag met ingang van 1 augustus 2011 is verlaagd in verband met de hoogte van zijn inkomen (pensioen). Ter onderbouwing van het hoger beroep heeft appellant zich in hoofdzaak op het standpunt gesteld dat artikel 12 van de AOW, zoals dat luidt sinds

1 augustus 2011, buiten toepassing moet worden gelaten, omdat toepassing van dit artikel - in zijn situatie - om een aantal redenen niet verenigbaar is met het recht van de Europese Unie en met het recht op bescherming van eigendom als gewaarborgd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol). Appellant vindt dat de nationale rechter over de verenigbaarheid van het huidige artikel 12 van de AOW met het Unierecht ten minste prejudiciële vragen moet stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), alvorens daar zelf een voor appellant ongunstig eindoordeel over te moeten geven. Appellant heeft verder gesteld dat de voor een eerlijk proces noodzakelijke onpartijdigheid ontbreekt bij de rechters die met de behandeling van het door hem ingestelde hoger beroep zijn belast of dat zij ten minste de schijn van vooringenomenheid hebben gewekt. In dit verband heeft appellant zijn ongenoegen geuit over een aantal specifieke uitspraken van de Raad en de rechtspraak van de Raad in het algemeen. Als grond is tevens aangevoerd dat de rechtbank volgens appellant fundamentele procedurevoorschriften heeft geschonden door zijn beroep tegen het bestreden besluit, ondanks een daartoe strekkend beargumenteerd verzoek, niet ter verdere behandeling te verwijzen naar een andere rechtbank. Bovendien is de aangevallen uitspraak volgens appellant - mede in het licht van de door hem al in eerste aanleg aangehaalde rechtspraak van het HvJEU en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) - niet toereikend gemotiveerd.

1.7.

De Svb heeft beargumenteerd verweer gevoerd.

2. De Raad oordeelt als volgt.

Inleidende beschouwing

2.1.

Appellant heeft in dit geding bij de Raad wrakingsverzoeken ingediend op 16 oktober 2013, 27 februari 2014 en 26 november 2014. Op deze verzoeken is door wrakingskamers van de Raad afwijzend beslist bij uitspraken van achtereenvolgens 18 november 2013, 1 mei 2014 en 15 januari 2015. Tegen deze uitspraken staat ingevolge artikel 8:18, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen rechtsmiddel open.

2.2.

Bij de onder 2.1 vermelde uitspraak van 15 januari 2015 is met toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb bepaald dat volgende door appellant in dit geding ingediende wrakingsverzoeken niet in behandeling worden genomen. Op grond daarvan is een op 29 april 2015 door appellant in dit geding ingediend wrakingsverzoek door de Raad niet als zodanig in behandeling genomen. Wel is dit wrakingsverzoek bij de gedingstukken gevoegd en is in reactie erop terstond aan appellant bericht dat het onderzoek ter zitting van 1 mei 2015, waarvoor appellant bij brief van 24 maart 2015 is uitgenodigd, niet wordt uitgesteld. Appellant heeft de rechters die met de behandeling van dit geding zijn belast vervolgens bij brieven van 30 april 2015 in overweging gegeven gebruik te maken van hun verschoningsrecht.

2.3.

Bij de onder 2.1 vermelde uitspraken is bindend gerespondeerd op wat appellant in zijn onder 2.1 vermelde wrakingsverzoeken heeft aangevoerd over de door hem veronderstelde partijdigheid en vooringenomenheid van de rechters die in hoger beroep met de behandeling van dit geding zijn belast. Geoordeeld is dat appellant in zijn wrakingsverzoeken geen feiten of omstandigheden heeft voorgedragen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Geen van de rechters die de zaak behandelde, heeft verzocht zich te mogen verschonen.

2.4.

Voor zover appellant door zijn ongenoegen te uiten over een aantal specifieke uitspraken van de Raad heeft beoogd in dit geding de discussie te heropenen over door de Raad definitief afgedane zaken, wordt overwogen dat de gronden die in dit verband zijn aangevoerd, buiten de omvang van dit geding vallen. Wat betreft hetgeen appellant heeft aangevoerd tegen het oordeel van de Raad over de door de Svb gehanteerde koers bij de omrekening van guldens naar euro’s, zoals dat is opgenomen in zijn uitspraak van 12 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4026, wordt ten overvloed erop gewezen dat de Hoge Raad het beroep in cassatie tegen genoemde uitspraak op 8 juli 2011, ECLI:HR:2011:BR0380, ongegrond heeft verklaard.

Fundamentele procedurevoorschriften

3.1.

Appellant heeft gesteld dat de rechtbank fundamentele procedurevoorschriften heeft geschonden door zijn beroep tegen het bestreden besluit, ondanks een daartoe strekkend door hem ingediend verzoek, niet ter verdere behandeling te verwijzen naar een andere rechtbank. Naar zijn zeggen heeft appellant de rechtbank bij zijn verzoek gewezen op de positie van mr. R.W.L. Koopmans, die zowel rechter-plaatsvervanger is bij de rechtbank Amsterdam als directeur Juridische Zaken van de Svb.

3.2.

Het onder 3.1 weergegeven betoog faalt. De rechtbank heeft niet mr. Koopmans maar drie andere rechters belast met de behandeling van het beroep van appellant tegen het bestreden besluit. Niet is gebleken dat in dit geding door de rechtbank fundamentele procedurevoorschriften zijn geschonden en dat daar gevolgen aan moeten worden verbonden.

Motiveringsverplichting

4.1.

Appellant heeft gesteld dat de aangevallen uitspraak - mede in het licht van de door hem reeds in eerste aanleg aangehaalde rechtspraak van het HvJEU en het EHRM - niet toereikend is gemotiveerd. In dit verband is ook gesteld dat de rechtbank een verzoek van appellant om de Svb niet-ontvankelijk te verklaren niet heeft beoordeeld.

4.2.

Met betrekking tot wat onder 4.1 is weergegeven wordt vastgesteld dat de stelling dat de rechtbank het verzoek om de Svb niet-ontvankelijk te verklaren niet heeft beoordeeld, ongefundeerd is. Daartoe wordt gewezen op overweging 3.1 en overweging 3.2 van de aangevallen uitspraak, die de Raad onderschrijft. Van een schending van de motiveringsplicht door de rechtbank is geen sprake. De door appellant gestelde nader aangevoerde gronden, waarop de rechtbank niet zou hebben gereageerd, zijn in het dossier niet aangetroffen.

4.3.

Hierna wordt door de Raad beoordeeld of dat wat appellant blijkens de stukken in dit geding heeft aangevoerd leidt tot vernietiging van het bestreden besluit en herroeping van het onder 1.3 vermelde kortingsbesluit.


Nationale regeling

5.1.

De AOW zoals die in 1957 in werking trad, was voor gehuwden gebaseerd op het kostwinnersprincipe. Echtgenoten van kostwinners waren, indien zij in Nederland woonden, in de regel van rechtswege verzekerd voor de AOW, maar betaalden - als ze geen premieplichtige arbeid verrichtten of andere inkomsten hadden - geen premies. Zolang een huwelijk duurde kwamen de rechten van beide echtgenoten tot uitbetaling via een pensioentoekenning aan de kostwinner. De kostwinner was in de regel een man, zodat het kostwinnersprincipe leidde tot indirect onderscheid naar geslacht. In de loop van de tijd won de gedachte veld dat dit onderscheid niet (meer) gerechtvaardigd was. Daarom, en om te voldoen aan Richtlijn nr. 79/7/EEG, is bij Wet van 6 december 1984 (Stb. 622) per

1 april 1985 in de AOW een stelsel opgenomen dat voorziet in een individueel ouderdomspensioen voor iedere gehuwde pensioengerechtigde van ten hoogste 50% van het nettominimumloon. Gehuwde pensioengerechtigden met een partner die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hadden bereikt, kregen daarnaast recht op een partnertoeslag die ten hoogste gelijk is aan 50% van nettominimumloon en waarop een korting in mindering wordt gebracht indien het inkomen van de jongere partner daartoe aanleiding geeft. Bij Wet van 21 december 1995 (Stb. 1995, 696) is in artikel 8 van de AOW opgenomen dat de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een partnertoeslag geheel vervalt voor ‘nieuwe’ gevallen: pensioengerechtigden met een jongere partner die na

31 december 2014 recht krijgen op een ouderdomspensioen. Als rechtvaardiging voor dit onderscheid naar geboortecohort is de voortschrijdende individualisering aangevoerd en het gegeven dat voor jongere generaties het aanvullend pensioen in betekenis toeneemt (Kamerstukken II 1994-1995, 24258, nr.3, blz. 9 en 10).

5.2.

Per 1 augustus 2011 is het huidige artikel 12 AOW in werking getreden. Artikel 12, eerste lid, AOW luidt sindsdien:


“ Op de bruto-toeslag, vastgesteld op grond van artikel 10 en, indien van toepassing, na toepassing van artikel 13, tweede lid, wordt een korting toegepast tot 10% voor zover de toeslag samen met het gezamenlijke inkomen uit arbeid of overig inkomen van de gehuwde pensioengerechtigde en diens echtgenoot vermeerderd met het op grond van de artikelen 9, zesde lid, onderdeel b en 13, eerste lid, vastgestelde bruto-ouderdomspensioen door de toepassing van de korting niet minder bedraagt dan 162% van het bruto-minimumloon met inbegrip van de bruto-minimumvakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.”

5.3.

Niet is in geschil dat de Svb de aan appellant toegekende partnertoeslag in overeenstemming met artikel 12 van de AOW, zoals dat artikel per 1 augustus 2011 luidt, met ingang van augustus 2011 heeft verlaagd met € 41,50 bruto per maand. In geschil is wel of deze toepassing van artikel 12 van de AOW al dan niet verenigbaar is met het Unierecht en het recht op bescherming van eigendom als gewaarborgd door artikel 1 van het Eerste Protocol.

Unierecht

6.1.1.

Appellant heeft in hoger beroep een groot aantal gronden aangevoerd op grond waarvan artikel 12 van de AOW volgens hem in zijn situatie ingevolge het Unierecht niet mag worden toegepast. Zo heeft appellant aangevoerd dat het Unierecht het behoud van een hoog niveau van sociale bescherming waarborgt, dat toepassing van artikel 12 van de AOW in zijn situatie leidt tot een ingevolge het Unierecht verboden onderscheid op grond van geslacht, en dat toepassing van artikel 12 van de AOW in zijn situatie leidt tot ingevolge het Unierecht verboden onderscheid op grond van leeftijd.

Behoud van een hoog niveau van sociale bescherming

6.2.1.

In het kader van de stelling dat Unierechtelijke bepalingen die zien op het behoud van verworven rechten en voordelen eraan in de weg staan dat artikel 12 van de AOW wordt toegepast, heeft appellant een beroep gedaan op artikel 2 van het Verdrag van Maastricht, op punt 13 van de Considerans bij Verordening 883/2004, op de artikelen 3, 7 en 12 van Verordening 883/2004, op artikel 157, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en op diverse Insolventierichtlijnen.

6.2.2.

De onder 6.2.1 weergegeven stellingname slaagt niet. Voorop moet worden gesteld dat in de rechtspraak van het HvJEU is bevestigd dat het Unierecht de bevoegdheid van de lidstaten van de Europese Unie om hun socialezekerheidsstelsels naar eigen inzicht in te richten, onverlet laat. In dit verband kan onder meer worden gewezen op de arresten Von Chamier-Glisczinski (HvJEU 16 juli 2009, C-208/07, punt 63) en Da Silva Martins (HvJEU 30 juni 2011, C- 388/09, punt 71). Dat geldt ook voor de bepaling van de hoogte van de toeslag en de vraag welke inkomens bij de bepaling van de hoogte van de toeslag in aanmerking worden genomen.

6.2.3.

Bij het voorgaande geldt als randvoorwaarde dat de lidstaten van de Europese Unie hun autonome bevoegdheden uitoefenen met inachtneming van de rechten die het Unierecht garandeert (zie HvJEU 11 september 2008, Petersen, C-228/07, punt 42, met betrekking tot het vrij verkeer van werknemers, en HvJEU 23 november 2000, Elsen, C-135/99, punt 33, inzake de vrijheid van elke burger van de Europese Unie om te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten). In dit geding is aan deze randvoorwaarde voldaan, omdat er geen sprake is van strijd met de regels inzake het recht op vrij verkeer. In de voorwaarden voor de toekenning van de partnertoeslag en de bepaling van de hoogte van de partnertoeslag wordt immers ten aanzien van Unieburgers op geen enkele wijze onderscheid gemaakt naar de woon- of verblijfplaats van betrokkenen. Het beroep van appellant op het arrest Van den Booren (HvJEU 7 maart 2013, C-127/11) faalt, omdat dit arrest betrekking heeft op de anti-cumulatie van pensioenen die worden genoten uit verschillende lidstaten, terwijl daar in dit geding geen sprake van is. Ook anderszins is er geen sprake van strijd met het onder 6.2.1 vermelde Unierecht. Het beroep dat appellant heeft gedaan op artikel 157, tweede lid, van het VWEU treft evenmin doel, omdat deze bepaling niet ziet op het voor de korting ingevolge artikel 12 van de AOW in aanmerking te nemen inkomen (vergelijk het arrest Moreno, HvJEU 22 november 2012, C-385/11). Het beroep van appellant op diverse Insolventierichtlijnen en in dat kader het arrest Hogan e.a. (HvJEU 25 april 2013, C-398/11), treft geen doel, omdat er in dit geding geen sprake is van een situatie waarop die richtlijnen betrekking hebben.

Verboden onderscheid op grond van geslacht

6.3.1.

In het kader van de stelling dat toepassing van artikel 12 van de AOW in zijn situatie leidt tot ingevolge het Unierecht verboden onderscheid naar geslacht heeft appellant onder meer gewezen op het arrest Molenbroek (HvJEU 19 november 1992, C-226/91) en betoogd dat niet is voldaan aan de voorwaarden die het HvJEU heeft geformuleerd voor de rechtvaardiging van zo’n onderscheid. Toepassing van artikel 12 van de AOW leidt er volgens appellant toe dat de AOW niet langer voorziet in een bodemvoorziening, zodat de rechtvaardigingsgrond niet langer opgaat die het HvJEU in het arrest Molenbroek heeft geaccepteerd voor het indirecte onderscheid naar geslacht dat blijkens dat arrest uit de regeling inzake de partnertoeslag voortvloeit. Artikel 12 van de AOW is volgens appellant uitsluitend gericht op budgettaire doeleinden die een verdacht onderscheid, zoals een onderscheid naar geslacht of leeftijd, niet kunnen rechtvaardigen.

6.3.2.

De stelling van appellant dat de rechtvaardigingsgrond niet langer opgaat die het HvJEU in het arrest Molenbroek heeft geaccepteerd voor het indirecte onderscheid naar geslacht dat naar in dat arrest wordt aangenomen voortvloeit uit de regeling inzake de partnertoeslag, wordt verworpen. In dit verband is van essentieel belang te achten dat in artikel 12 van de AOW is gewaarborgd dat het gezinsinkomen van de pensioengerechtigde en zijn jongere partner door toepassing van een korting wegens hun gezamenlijk inkomen niet daalt tot minder dan (enigszins vereenvoudigd) 162% van het bruto-minimumloon. Voor pensioengerechtigden met een laag aanvullend pensioen of weinig andere inkomsten is er door het van kracht worden van artikel 12 van de AOW dus niets veranderd. De regeling inzake de partnertoeslag, die per 1 januari 1996 een tijdelijk karakter heeft gekregen, waarborgt nog altijd een inkomen op basisvoorzieningniveau voor pensioengerechtigden met een jongere partner die onder het bereik van die regeling vallen en volledig hebben voldaan aan de verzekeringsvoorwaarden. Dat het bedrag van de partnertoeslag ingevolge artikel 12 van de AOW vanaf augustus 2011 mede wordt bepaald door het inkomen van de pensioengerechtigde zelf doet hier niet aan af. Niet valt in te zien dat het feit dat de partnertoeslag mede kan worden gekort wegens inkomen van de pensioengerechtigde zelf, tot gevolg heeft dat het ouderdomspensioen en de partnertoeslag op grond van de AOW niet meer fungeren als bodemvoorziening in de door het HvJEU in het arrest Molenbroek bedoelde zin.

6.3.3.

In dit geding moet - anders dan in de zaak Molenbroek - de uitwerking worden beoordeeld van toepassing van de in artikel 12 van de AOW opgenomen regeling. Deze regeling is niet gebaseerd op een direct onderscheid naar geslacht. Of zij leidt tot een indirect onderscheid naar geslacht kan in het midden worden gelaten, nu de uitwerking van deze regeling hoe dan ook gerechtvaardigd is te achten.

6.3.4.

Volgens constante rechtspraak van het HvJEU kan een indirect onderscheid naar geslacht alleen worden gerechtvaardigd op grond van objectieve redenen die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht, indien de gekozen middelen beantwoorden aan een legitieme doelstelling van sociaal beleid en zij geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bevorderen (vergelijk HvJEU 7 mei 1991, C-229/89, punt 18 en 19, Commissie tegen België). Verder blijkt uit de arresten Roks e.a. (HvJEU 24 februari 1994, C-343/92) en Jorgensen (HvJEU 6 april 2000, C-226/98) dat budgettaire overwegingen op zichzelf geen doelstelling vormen van sociaal beleid en op zichzelf dus ook niet een onderscheid in het nadeel van één van de geslachten kunnen rechtvaardigen.

6.3.5.

In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van artikel 12 van de AOW (Kamerstukken II 2009-2010, 32430, nr. 3) is vermeld dat de achtergrond van de in dat artikel opgenomen regeling voornamelijk budgettair van aard is, maar ook dat de regeling moet worden bezien in het licht van ‘de brede houdbaarheidsproblematiek’. Het is een feit van algemene bekendheid dat bedoelde problematiek voor een belangrijk deel samenhangt met kosten die het gevolg zijn van structurele demografische veranderingen (vergrijzing) en de wens die kosten op een evenwichtige en rechtvaardige manier te verdelen, zodat de transgenerationele solidariteit behouden blijft die ten grondslag ligt aan het omslagstelsel waarop de AOW is gebaseerd. Artikel 12 van de AOW kan bovendien niet los worden gezien van andere onderdelen van het beleid van de overheid om de toekomstige pensioenuitgaven in het kader van de AOW te waarborgen, waarbij omvangrijke hervormingen worden doorgevoerd met verstrekkende gevolgen. In dit kader kan worden gewezen op het geheel vervallen van de partnertoeslag voor ‘nieuwe’ gevallen en de stapsgewijze verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Uit het voorgaande is af te leiden dat, anders dan appellant stelt, artikel 12 van de AOW niet alleen is gericht op budgettaire doeleinden, maar ook op de instandhouding van een via een omslagstelsel gefinancierd ouderdomspensioen als bodemvoorziening, wat is aan te merken als een legitieme doelstelling van sociaal beleid. Niet is gebleken dat de redenen voor de totstandkoming van artikel 12 van de AOW in verband staan met discriminatie op grond van geslacht of dat de in artikel 12 van de AOW opgenomen regeling niet geschikt en noodzakelijk is te achten om die doelen na te streven. Het Unierecht staat er geenszins aan in de weg dat een lidstaat om zijn sociale uitgaven te beheersen de eigen draagkracht van rechthebbenden in aanmerking neemt. In dit verband wordt gewezen op punt 22 van het arrest Teuling (HvJEU 11 juni 1987, zaak 30/85).

6.3.6.

In het kader van de stelling dat toepassing van artikel 12 van de AOW leidt tot ingevolge het Unierecht verboden indirect onderscheid naar geslacht heeft appellant ook een beroep gedaan op het arrest Brachner (HvJEU 20 oktober 2011, C-123/10). Dit beroep faalt. In dit verband wordt gewezen op punt 93 van het arrest Brachner, waarin het HvJEU heeft overwogen:


“Evenzo kan de uitsluiting van het genot van de compenserende toeslag als gevolg van de toepassing van de regel van optelling van de inkomens van echtgenoten, zelfs wanneer die uitsluiting hoofdzakelijk vrouwen treft, gerechtvaardigd zijn gelet op de doelstelling van waarborging dat het pensioen niet onder het sociale minimum uitkomt.”

6.3.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde toepassing van artikel 12 van de AOW niet leidt tot ingevolge het Unierecht verboden onderscheid naar geslacht.

Verboden onderscheid op grond van leeftijd

6.4.1.

De Raad laat in het midden wat appellant precies heeft bedoeld met de stelling dat toepassing van artikel 12 van de AOW in zijn situatie leidt tot ingevolge het Unierecht verboden onderscheid op grond van leeftijd en of de bij het bestreden besluit gehandhaafde toepassing van artikel 12 van de AOW getoetst kan worden aan enig in het Unierecht opgenomen verbod op discriminatie naar leeftijd. Wat is overwogen onder 6.3.4 tot en met 6.3.7 geldt namelijk mutatis mutandis hoe dan ook evenzeer voor het door appellant bedoelde onderscheid naar leeftijd of geboortecohort. Voor het door appellant bedoelde onderscheid naar leeftijd of geboortecohort valt in het kader van een toetsing aan het Unierecht dus hoe dan ook een objectieve en redelijke rechtvaardiging aan te wijzen.

6.4.2.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde toepassing van artikel 12 van de AOW niet leidt tot ingevolge het Unierecht verboden onderscheid naar leeftijd.

Prejudiciële vragen

6.5.

Appellant heeft de Raad verzocht in dit geding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU en heeft hiervoor een tekstvoorstel aangedragen. Zoals uit bovenstaande overwegingen blijkt, roept het hoger beroep van appellant echter geen rechtsvragen op die door het HvJEU moeten worden besproken en beantwoord. De juiste uitleg van het Unierecht is zo evident, dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over het antwoord op de vragen van Unierecht die in geschil zijn. De Raad ziet daarom geen aanleiding in dit geding prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJEU.

Het recht op bescherming van eigendom

7.1.

In het kader van de stelling dat toepassing van artikel 12 van de AOW in zijn situatie leidt tot schending van artikel 1 Eerste Protocol, heeft appellant betoogd dat artikel 12 van de AOW niet is gericht op een legitiem doel. Daarbij trekt appellant de noodzaak in twijfel van de in artikel 12 van de AOW opgenomen regeling, op de grond dat het totaalbedrag aan ontvangen premies voor de AOW het totaalbedrag van uitkeringen op grond van de AOW vooralsnog ruimschoots overtreft. Verder heeft appellant in het kader van zijn beroep op artikel 1 Eerste Protocol betoogd dat er geen sprake is van een ‘fair balance’, maar van disproportionaliteit.

7.2.

Artikel 1 Eerste Protocol luidt in de Nederlandse vertaling:

“Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”

7.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde toepassing van artikel 12 van de AOW heeft geleid tot inmenging in een door artikel 1 Eerste Protocol beschermd eigendomsrecht van appellant.

7.4.

In geschil is of de bij het bestreden besluit gehandhaafde toepassing van artikel 12 van de AOW voldoet aan de in artikel 1 Eerste Protocol besloten liggende voorwaarden voor de rechtvaardiging van zo’n inmenging in het eigendomsrecht. Bij de beslechting van dit geschilpunt wordt acht geslagen op de uitleg die het EHRM in zijn rechtspraak aan artikel 1 Eerste Protocol geeft. Beoordeeld moet worden of de inmenging bij wet is voorzien. Verder dient te worden beoordeeld of de inmenging van het eigendomsrecht een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang en of er een behoorlijk evenwicht is behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, een en ander onder erkenning van een ruime beoordelingsmarge die de Staat heeft bij de hantering van deze criteria. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan als het individu door de inmenging van het eigendomsrecht een onevenredig zware last (‘an individual and excessive burden’) moet dragen.

7.5.

Vastgesteld wordt dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde verlaging van de aan appellant toegekende partnertoeslag bij wet is voorzien, nu deze verlaging direct volgt uit toepassing van het dwingendrechtelijke artikel 12 van de AOW.

7.6.

Vaste rechtspraak van het EHRM (15 april 2014, 21838/10, Stefanetti e.a. punt 56) is dat beperking van de overheidsuitgaven een gerechtvaardigde doelstelling is in het belang van het veiligstellen van het stelsel van sociale zekerheid en het beschermen van de nationale economie. Appellant trekt de noodzaak van de in artikel 12 van de AOW opgenomen regeling in twijfel op de grond dat het totaalbedrag aan ontvangen premies voor de AOW het totaalbedrag van uitkeringen op grond van de AOW vooralsnog ruimschoots overtreft. Naar aanleiding hiervan wordt opgemerkt dat ook indien er sprake mocht zijn van een (tijdelijk) premieoverschot - wat de Svb bestrijdt - gelet op wat onder 6.3.5 overwogen is, toch legitiem en in het algemeen belang is te achten dat vanaf 1 augustus 2011 het gezamenlijk inkomen van pensioengerechtigden en hun jongere partners in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van de hoogte van het recht op een partnertoeslag. Artikel 1 Eerste Protocol verplicht de rechter niet tot een - binnen de Nederlandse constitutionele verhoudingen niet voorziene - subsidiairiteitstoetsing, zodat in het hier besproken kader niet van belang is of de wetgever de doelen die met artikel 12 van de AOW worden nagestreefd ook had kunnen realiseren op een manier die niet of minder bezwarend is voor de groep pensioengerechtigden waartoe appellant behoort.

7.7.1.

De maximale korting op grond van artikel 12 van de AOW bedraagt minder dan het ingevolge artikel 11 van de AOW vrijgelaten bedrag en in artikel 12 van de AOW is geborgd dat het gezinsinkomen van de pensioengerechtigde en zijn jongere partner door toepassing van de korting wegens hun gezamenlijk inkomen niet daalt tot minder dan (enigszins vereenvoudigd) 162% van het bruto-minimumloon. Bovendien neemt de financiële afhankelijkheid van de partnertoeslag af naarmate en zolang pensioengerechtigden meer andere inkomsten hebben. Een en ander heeft tot gevolg dat kortingen op grond van artikel 12 van de AOW in de regel proportioneel zijn en niet leiden tot ‘an individual and excessive burden’. Artikel 1 Eerste Protocol garandeert geen recht op uitkeringen van een bepaalde hoogte (vergelijk EHRM 12 oktober 2004, 60669/00, Ásmundsson, punt 39).

7.7.2.

Omdat aan appellant niet pas na het in werking treden van artikel 12 van de AOW maar al in 2007 een ouderdomspensioen is toegekend naar de norm die geldt voor een gehuwde pensioengerechtigde, vermeerderd met een partnertoeslag, is in dit geding de vraag aan de orde of artikel 12 van de AOW door de wetgever had mogen worden vastgesteld zonder een overgangsregeling te treffen voor degenen die, net als appellant, als gevolg van het in werking treden van deze wettelijke bepaling een gedeelte van een reeds toegekende partnertoeslag verliezen.

7.7.3.

Volgens vaste rechtspraak - gewezen wordt op de uitspraken van de Raad van

18 juni 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP4680, 1 november 2007 ECLI:NL:CRVB:2007:BB7475 en 5 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI0952 - wordt het met onmiddellijke werking van kracht worden van een wetswijziging waardoor rechten vervallen zonder een (gedeeltelijke) compensatie in de vorm van een overgangsregeling voor ‘oude gevallen’, alleen in uitzonderlijke gevallen in overeenstemming geacht met artikel 1 Eerste Protocol. Naar het oordeel van de Raad is er in dit geding sprake van zo’n uitzonderlijk geval. Bij de vorming van dit oordeel is in aanmerking genomen dat de AOW niet is gebaseerd op een zuiver opbouwstelsel maar op een omslagstelsel, dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde korting maar 10% van de partnertoeslag bedraagt en minder dan 1% van het gezamenlijk inkomen van appellant en zijn echtgenote, dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde korting in elk geval eindigt zodra de echtgenote van appellant de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, en dat de Svb appellant reeds eind 2010 kenbaar op de hoogte heeft gesteld van de wetswijziging die toen op handen was, zodat appellant en zijn echtgenote de tijd hebben gehad om zich in te kunnen stellen op hun uiteindelijk per

1 augustus 2011 enigszins gewijzigde financiële situatie.

7.7.4.

In het kader van de stelling dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde toepassing van artikel 12 van de AOW leidt tot schending van artikel 1 Eerste Protocol heeft appellant in het bijzonder een beroep gedaan op het arrest Bélané Nagy (EHRM 10 februari 2015, 53080/13). Dit beroep faalt. In dit verband wordt overwogen dat het arrest Bélané Nagy dat overigens nog niet definitief is geworden, ziet op de volledige intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, terwijl er in dit geding slechts sprake is van een beperkte korting, die de kern van het eigendomsrecht van appellant niet aantast.

7.7.5.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat sprake is van een redelijke proportionaliteitsrelatie tussen de in artikel 12 van de AOW opgenomen regeling en het doel daarvan. Niet kan worden gezegd dat het per 1 augustus 2011 in werking treden van artikel 12 van de AOW in het geval van appellant gevolgen heeft gehad die daarmee niet zijn beoogd. Van een situatie waarin afbreuk is gedaan aan de kern van het eigendomsrecht is geen sprake. Niet kan worden gezegd dat de gevolgen van het van kracht worden van artikel 12 van de AOW voor appellant een individuele, onevenredig zware last meebrengen.

Conclusie

8.1.

Het voorgaande volstaat als basis voor de conclusie dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde toepassing van artikel 12 van de AOW niet leidt tot een schending het Unierecht of van artikel 1 Eerste Protocol. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8.2.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2015.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) G.J. van Gendt