Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2586

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
13/401 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

De Raad verenigt zich het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat. Uitgaande van de juistheid van de aan de bestreden besluiten ten grondslag liggende beperkingen zijn de aan appellant voorgehouden voorbeeldfuncties niet te belastend. M.u.v. de functie draadwever/nadenlegger, die een arbeidsomvang kent die niet geacht kan worden te vallen binnen de toegestane urenbeperking. Onvoldoende aantal functies ten grondslag aan schatting. Het Uwv wordt opgedragen dit gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/401 WIA-T, 14/4889 WIA-T

Datum uitspraak: 31 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

11 december 2012, 12/1412 (aangevallen uitspraak 1) en tegen de uitspraak van de rechtbank Midden- Nederland van 21 augustus 2014, 14/1107 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M. van Dijk-Opstal hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraken 1 en 2.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Appellant heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig rapport ingezonden, waarop door het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 19 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk-Opstal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft laatstelijk tot het einde van zijn dienstverband per 1 oktober 2008 als informatiemanager gewerkt bij Stichting [naam stichting] . Vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving, heeft appellant zich wegens hartproblemen en psychische problemen met ingang van 18 mei 2009 ziek gemeld. Hij heeft in 2009 een hartoperatie na ernstige aortaklepstenose ondergaan.

1.2.

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 16 mei 2011 recht heeft op een loongerelateerde uitkering (WGA-LGU) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Dat besluit is gebaseerd op de opvatting dat appellant 35 tot 80% arbeidsongeschikt is en in staat is om in een omvang van ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week in passende functies te werken. Bij besluit van 26 maart 2012 ( bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 juli 2011 ongegrond verklaard.

1.3.

Bij besluit van 30 mei 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant aansluitend aan zijn WGA-LGU met ingang van 31 augustus 2013 recht heeft op een WGA-vervolguitkering (WGA-VU). Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 5 februari 2014 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de zich in het dossier bevindende medische gegevens onvoldoende steun gezien voor de opvatting van appellant dat hij in het geheel niet kan werken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 maart 2012 onvoldoende rekening is gehouden met de medische beperkingen van appellant en heeft geconcludeerd dat bestreden besluit 1 op een toereikende medische grondslag berust. Ook de arbeidskundige grondslag is door de rechtbank als deugdelijk geoordeeld.

2.2.

In aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank vastgesteld dat bestreden besluit 2 is gebaseerd op dezelfde beperkingen als die bij bestreden besluit 1 zijn gehanteerd. De rechtbank heeft overwogen geen aanknopingspunten te zien voor het oordeel dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen dat aan bestreden besluit 2 ten grondslag ligt onzorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft, gelet op de nadere toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, geen reden gezien te oordelen dat onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. De passendheid van de geduide functie, waarbij sprake is van een arbeidsomvang van 22,5 uur is volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft het standpunt van appellant niet gevolgd dat uit arbeidskundig onderzoek blijkt dat geen functies voor hem zijn te duiden, omdat de door appellant ingeschakelde arbeidsdeskundige is uitgegaan van andere beperkingen dan de verzekeringsartsen van het Uwv. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat. Hij heeft verwezen naar de door hem ingeschakelde verzekeringsarts en arbeidsdeskundige die tot de conclusie zijn gekomen dat hij meer beperkt is, met name dat hij niet in staat is 20 uur per week arbeid te verrichten. Hij ziet zich in zijn standpunt gesteund door de informatie van zijn behandelend artsen en psycholoog. In ieder geval is volgens appellant de functie van draadweefster/nadenlegger niet passend omdat deze een arbeidsomvang van 22,5 uur per week en 5 uur per dag kent, terwijl appellant maar 20 uur per week zou kunnen werken volgens de FML die aan de bestreden besluiten ten grondslag ligt.

3.2.

In zijn verweerschriften heeft het Uwv bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit. Met verwijzing naar de reacties van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep op de in hoger beroep aangevoerde gronden stelt het Uwv zich op het standpunt dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat en hij met zijn beperkingen in staat is de geduide functies uit te oefenen.

4.1.

Niet in geschil is dat de gezondheidssituatie op beide data in geding niet wezenlijk verschilt. Partijen verschillen vooral van opvatting of de beperkingen die aan de bestreden besluiten ten grondslag liggen, door het Uwv zijn onderschat en of, daarvan uitgaande, de geduide functies passend zijn.

4.2.

De Raad verenigt zich het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat. De verzekeringsartsen hebben onderzoek gedaan naar de gezondheidssituatie van appellant en daarbij informatie van de behandelend artsen betrokken en een psychologische expertise laten verrichten. Anders dan appellant meent, ziet de Raad in de gegevens van de behandelend cardioloog geen bevestiging voor het standpunt van appellant dat hij (in het geheel) niet zou kunnen werken. In zijn informatie aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 december 2011 geeft de cardioloog slechts te kennen dat voltijds werken een te grote opgave is. De in opdracht van het Uwv verrichte psychologische expertise van 12 maart 2012 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot enige bijstelling van de FML doen besluiten, maar daarin hoefde terecht geen reden te worden gezien om appellant verder beperkt te achten in zijn belastbaarheid of de mogelijke arbeidsduur verder te beperken. De behandelend neuropsycholoog heeft de belastbaarheid weliswaar anders ingeschat, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 24 september 2012 afdoende gemotiveerd als reactie gegeven dat niet is ingegaan op het gemotiveerde rapport van de verrichte psychologische expertise en ook uit de gegevens over het activiteitenpatroon van appellant niet kan worden afgeleid dat appellant geen lichte parttime arbeid zou kunnen verrichten.

4.3.

Het op verzoek van appellant door een verzekeringsarts in opleiding uitgebrachte rapport van 15 april 2013 leidt niet tot een ander oordeel. Uit het rapport blijkt dat appellant het in grote lijnen eens is met de FML van het Uwv, behoudens de haalbaar geachte 20 uur arbeidsbelasting per week, dat hij eenmaal per jaar op controle komt bij de cardioloog en het laatste psychologisch behandelcontact in december 2012 is geweest. In de reactie van 17 mei 2013 op dat rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd dat de bevindingen in het rapport geen motivering bieden om een urenbeperking van meer dan

20 uren te hanteren.

4.4.

De ter zitting door appellant vermelde nieuwe behandeling, die hij inmiddels is gestart om zijn psychische en energetische belastbaarheid, die hij nog immer als zeer kwetsbaar ervaart, te vergroten, kan evenmin tot een ander oordeel leiden, omdat deze geen aanknopingspunten biedt voor de beoordeling van de datum die hier in geding is.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de aan de bestreden besluiten ten grondslag liggende beperkingen zijn de aan appellant voorgehouden voorbeeldfuncties, behoudens de functie van machinaal metaalbewerker (draadweefster/nadenlegger, SBC-code 264122, functienr. 3489.0079.014 niet te belastend. Met betrekking tot de functie draadwever/nadenlegger, die een arbeidsomvang van 22,5 uur per week en 5 uren per dag kent, is de Raad in lijn met zijn vaste rechtspraak van oordeel dat die arbeidsomvang een overschrijding bevat die niet geacht kan worden te vallen binnen de toegestane urenbeperking, ook al zou ervan worden uitgegaan dat deze een zekere marge kent (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2010:BO0827). Dit betekent dat deze functie niet aan de schatting ten grondslag kon worden gelegd. Gevolg hiervan is dat er onvoldoende functies overblijven om de mate van arbeidsongeschiktheid op te kunnen baseren, zodat aan de bestreden besluiten een gebrek kleeft.

5. Het is niet duidelijk of, uitgaande van de vastgestelde FML, alsnog een andere functie die binnen de belastbaarheid van appellant past, aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Daarom zal het Uwv worden opgedragen het in 4.4 genoemde gebrek te herstellen binnen een termijn van zes weken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in de besluiten van 26 maart 2012 en 5 februari 2014 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft ovewogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.S. van der Kolk en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2015.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) H.J. Dekker

AP