Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2583

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
14/2516 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/2516 WIA

Datum uitspraak: 31 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2014, 12/2699 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Namens appellant is

mr. Van Hoof verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was tot 1 april 2002 werkzaam als hulpkok gedurende 36 uur per week. Daarnaast werkt hij gedurende 15 uur per week als leidinggevende bij een schoonmaakbedrijf. Op 23 december 2005 heeft appellant zich vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld voor zijn werk als hulpkok vanwege rugklachten. Later zijn daar spanningsklachten bij gekomen. Bij besluit van 8 november 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 22 december 2007 geen recht ontstaat op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel ingesteld.

1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek, in verband met een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 februari 2012 wegens toegenomen rugklachten, heeft het Uwv bij besluit van 6 juni 2012 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 1 februari 2012 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA. Hierbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat hoewel de belastbaarheid van appellant is afgenomen ten opzichte van de beoordeling in 2007, appellant ook met inachtneming van deze afgenomen belastbaarheid in staat is voorbeeldfuncties te vervullen waarmee de mate van zijn arbeidsongeschiktheid onveranderd op minder dan 35% wordt vastgesteld.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 25 september 2012 (bestreden besluit), onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv, ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de voor appellant vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangescherpt en appellant verdergaand beperkt geacht op het item staan tijdens het werk en aanvullend op het item gebogen en/of getordeerd actief zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft één van de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties vervangen door een eerder door de arbeidsdeskundige geselecteerde reservefunctie. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant heeft hij onveranderd vastgesteld op minder dan 35%.

2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen te reageren op enkele vragen van de rechtbank. Het Uwv heeft in antwoord daarop rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de belastbaarheid van appellant in de FML bij het item staan tijdens het werk nader omschreven en appellant verdergaand beperkt geacht op het item zitten en aanvullend op het item afwisseling van houding. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep één van de in bezwaar aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties vervangen door een eerder door de arbeidsdeskundige geselecteerde reservefunctie. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant heeft hij opnieuw onveranderd vastgesteld op minder dan 35%.

2.2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten te zien voor twijfel aan de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, zoals deze is weergegeven in de in beroep aangepaste FML. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat voldoende is gemotiveerd dat de in beroep aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties geschikt zijn voor appellant. Omdat het Uwv eerst in beroep de FML heeft aangepast en een nadere arbeidskundige motivering heeft gegeven, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit volledig in stand blijven.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen voor het verrichten van arbeid door de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv zijn onderschat. Volgens appellant brengen de pijnklachten die voortvloeien uit zijn dubbele hernia mee dat een urenbeperking in de FML moet worden opgenomen. Daarnaast moet appellant aanvullend beperkt worden geacht ten aanzien van autorijden. De pijnklachten van appellant stralen uit naar zijn benen, waardoor hij beperkt is in het gericht bewegen van zijn voeten. Voorts is appellant niet in staat om de in beroep aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050), omdat hij in deze functies onvoldoende de mogelijkheid krijgt om te vertreden.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Het hoger beroep richt zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.

4.2.

Er is geen aanleiding voor twijfel aan het oordeel van de rechtbank over de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, zoals deze is weergegeven in de in beroep aangepaste FML. In de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is op inzichtelijke en overtuigende wijze gemotiveerd welke beperkingen appellant ondervindt voor het verrichten van arbeid en waarom de bezwaren van appellant daartegen niet slagen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep behoeft er vanwege de pijnklachten van appellant geen urenbeperking in de FML opgenomen te worden. Deze pijnklachten zijn het gevolg van de hernia van appellant met radiculair syndroom. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is een beperking in werktijden bij een radiculair syndroom, waarbij de dynamische en statische belastbaarheid in geding is, niet aangewezen, aangezien energetische klachten/beperkingen hierbij geen rol spelen. Afgezien van de discussie of pijnklachten al dan niet een indicatie vormen voor een urenbeperking op energetische gronden, moeten bij een radiculair syndroom allereerst de pijnprovocerende factoren in kaart worden gebracht, zodat de dynamische en statische belastbaarheid daarop kan worden afgestemd. Voor appellant zijn diverse beperkingen in de FML aangenomen, onder andere bij dynamische handelingen en statische houdingen. Rekening houdend met al deze beperkingen is appellant volgens het Uwv in staat 40 uur per week te werken. Voorts is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep evenmin aanleiding om appellant vanwege de door hem geclaimde problemen van de voeten beperkt te achten ten aanzien van autorijden, nu deze problemen niet medisch geobjectiveerd kunnen worden. Dergelijke problemen van de voeten kunnen worden verklaard uit een parese. Bij appellant doet dit zich echter niet voor. Bij een parese zouden er aanwijzingen moeten zijn voor een klapvoet en die zijn er niet, getuige de bevindingen tijdens het onderzoek van de hielenloop. Bovendien is een klapvoet doorgaans een deelsymptoom van een caudasyndroom waarbij er ook mictieklachten zouden moeten zijn en zogenoemde rijbroekanesthesie. Bij appellant is ook dat niet het geval. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, worden, gelet op deze motivering, geen aanknopingspunten gezien om het oordeel van de rechtbank over de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid voor onjuist te houden. Evenmin als in beroep, heeft appellant in hoger beroep objectief medische informatie overgelegd waaruit volgt dat hij meer of verdergaand beperkt is dan vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde en in de in beroep aangepaste FML weergegeven belastbaarheid, heeft de rechtbank terecht, onder verwijzing naar de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, geoordeeld dat appellant in medisch opzicht in staat is de in beroep aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties te vervullen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellant met inachtneming van zijn beperkingen deze functies kan vervullen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toereikend gemotiveerd dat in de functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) voldoende kan worden gewisseld van houding en dus voldoende kan worden vertreden, nu “zitten”, “staan” en “lopen” in ieder werkuur voorkomen en elkaar in voldoende mate afwisselen. Voorts blijkt uit de functiebeschrijving van de functie wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur

(SBC-code 267050) dat in deze functie naar eigen inzicht kan worden vertreden. Kennelijk bestaat bij deze functie voldoende vrijheid om “zitten”, “staan” en “lopen” naar behoefte af te wisselen. Met de rechtbank wordt geen grond gezien om deze beoordeling voor onjuist te houden.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) W. de Braal

NK