Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
12/3909 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb heeft aanleiding gezien om aan betrokkene alsnog over het eerste en tweede kwartaal van 2011 kinderbijslag ten behoeve van haar zoon toe te kennen, omdat alsnog wordt aangenomen dat betrokkene ook in die kwartalen een op grond van artikel 20 van het VWEU afgeleid verblijfsrecht toekomt en dat artikel, 6, tweede lid, van de AKW niet aan betrokkene mag worden tegengeworpen. De weigering van kinderbijslag over het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2010 wordt terecht gehandhaafd. Uit het internationale recht kan niet worden afgeleid dat betrokkene, niet mag worden uitgesloten van verzekering voor de AKW, op de grond dat zij niet beschikte over een verblijfstitel als in artikel 6, tweede lid, van de AKW genoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3909 AKW, 12/4135 AKW

Datum uitspraak: 31 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 juni 2012, 11/6141 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. S. Çakici- Reinders, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Namens betrokkene zijn nadere vragen van de Raad beantwoord en stukken aan de Raad toegezonden.

De Svb heeft nadere stukken aan de Raad toegestuurd. De Svb heeft voorts een nieuwe beslissing op bezwaar van 27 februari 2015 genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Betrokkene was - daartoe opgeroepen - in persoon aanwezig, bijgestaan door mr. J. Klaas, kantoorgenoot van

mr. Çakici-Reinders. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene heeft de Irakese nationaliteit en woont sinds 2001 in Nederland. Betrokkene heeft een zoon [naam zoon] , die [in] 2007 is geboren uit een relatie met een Nederlandse man, [naam man] . Bij uitspraak van 22 december 2010 is het vaderschap van

[naam man] vastgesteld, waarna [naam zoon] zijn achternaam alsmede de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Op 13 mei 2011 heeft betrokkene kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ten behoeve van [naam zoon] aangevraagd. Op 16 juni 2011 is

[naam man] overleden.

1.2.

Bij besluit van 7 juli 2011 heeft de Svb de aanvraag om kinderbijslag afgewezen omdat betrokkene niet beschikt over een geldige verblijfstitel. Bij beslissing op bezwaar van 14 november 2011 (bestreden besluit) is de weigering van kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2010 tot en met het derde kwartaal van 2011 gehandhaafd en is het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2011 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep is namens betrokkene een beroep gedaan op diverse bepalingen van internationaal recht. Betreffende de periode in geding waarin [naam zoon] de Nederlandse nationaliteit heeft, is een beroep gedaan op artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de door het Hof van Justitie van de Europese Unie gewezen arresten van 8 maart 2011, Ruiz Zambrano, C-34/09 en van 15 november 2011, Dereci e.a., C-256/11.

4.1.

Ter zitting van de Raad heeft de Svb het hoger beroep ingetrokken, zodat nu alleen nog ter beoordeling voorligt het hoger beroep van betrokkene. Over dit hoger beroep heeft de Svb op 27 februari 2015 een besluit genomen waarin aan betrokkene vanaf het derde kwartaal van 2011 kinderbijslag ten behoeve van [naam zoon] is toegekend. Ter zitting is vastgesteld dat het derde kwartaal van 2011 tussen partijen niet meer in geschil is. In het verhandelde ter zitting heeft de Svb aanleiding gezien om aan betrokkene ook over het eerste en tweede kwartaal van 2011 kinderbijslag ten behoeve van [naam zoon] toe te kennen, omdat - kort gezegd - alsnog wordt aangenomen dat betrokkene ook in die kwartalen een op grond van artikel 20 van het VWEU afgeleid verblijfsrecht toekomt en dat artikel, 6, tweede lid, van de AKW niet aan betrokkene mag worden tegengeworpen.

4.2.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van betrokkene het hoger beroep tegen de weigering van kinderbijslag over het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2010 gehandhaafd. Voor deze kwartalen is alleen in geschil de vraag of uit het internationale recht moet worden afgeleid dat betrokkene, niet mag worden uitgesloten van verzekering voor de AKW, op de grond dat zij niet beschikte over een verblijfstitel als in artikel 6, tweede lid, van de AKW genoemd.

4.3.

Kortheidshalve wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:994) in een wat betreft de nog in geschil zijnde kwartalen met dit geding vergelijkbare zaak. In die uitspraak heeft de Raad, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7740), overwogen dat het beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 14 van het EVRM niet kan slagen. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt ook dat uit bepalingen in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind geen recht op kinderbijslag kan volgen. Van dusdanige schrijnende omstandigheden dat deze in het geval van betrokkene zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel, is ook hier niet gebleken.

4.4.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd, voor zover zij betrekking hebben op het eerste tot en met het derde kwartaal van 2011. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt in zoverre gegrond verklaard. Tevens zal de Raad het besluit van 7 juli 2011 herroepen voor zover daarbij geweigerd is kinderbijslag toe te kennen over het eerste en tweede kwartaal 2011 en bepalen dat aan betrokkene kinderbijslag toekomt over die kwartalen.

5. Er is aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en € 1470,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het eerste tot en met

het derde kwartaal van 2011;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- vernietigt het bestreden besluit en verklaart het beroep gegrond voor zover betrekking

hebbend op de weigering van kinderbijslag over het eerste tot en met het derde kwartaal van

2011;

- herroept het besluit van 7 juli 2011 voor zover daarbij kinderbijslag is geweigerd over het

eerste en tweede kwartaal van 2011;

- bepaalt dat betrokkene recht op kinderbijslag heeft over het eerste en het tweede kwartaal

van 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van

14 november 2011;

- veroordeelt de Svb tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in beroep en in hoger

beroep tot een bedrag van € 2.450,-

- bepaalt dat de Svb aan betrokkene het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van J.R van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2015.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) J.R van Ravenstein

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

AP