Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2571

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
12/1063 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad heeft op 7 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:435) en op 28 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3964) een tussenuitspraak gedaan. Het Uwv heeft een nader arbeidskundig rapport ingebracht. Het Uwv heeft onvoldoende onderbouwd dat de echtgenote van appellant in staat is hem gedurende een aanvangsperiode naar en van het werk te begeleiden. Het Uwv is er, uitgaande van de noodzakelijke vervoersvoorziening, niet in geslaagd de geschiktheid van de geselecteerde functies deugdelijk te onderbouwen dan wel andere geschikte functies te selecteren. De Raad voorziet zelf door het bezwaar tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren en het (primaire) besluit in zoverre te herroepen en te bepalen dat de loongerelateerde WGA-uitkering waarop appellant recht heeft, wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1063 WIA

Datum uitspraak: 24 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

19 januari 2012, 11/1694 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 7 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:435) en op 28 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3964) een tussenuitspraak gedaan.

Het Uwv heeft een rapport van 3 februari 2015 ingebracht van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Appellant heeft zijn zienswijze naar voren gebracht.

Het Uwv heeft een nader rapport van 24 maart 2015 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar de Raad gezonden. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uiteenzetting van de feiten wordt verwezen naar de tussenuitspraken van

7 februari 2014 en 28 november 2014. In de tussenuitspraak van 28 november 2014 is vastgesteld dat alleen nog in geding is de vraag of het bestreden besluit met de in hoger beroep overgelegde rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van een deugdelijke arbeidskundige motivering is voorzien. De Raad heeft, onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.2 en 4.3 van zijn tussenuitspraak van 7 februari 2014, overwogen dat uitgangspunt is dat psychiater H.J.C. van Marle zich op het standpunt heeft gesteld dat het voor appellant, in verband met zijn beperkingen om te reizen en ver van huis te gaan, mogelijk onhaalbaar is om naar het werk te gaan. Vervolgens heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv niet zonder nader onderzoek had mogen aannemen dat de echtgenote van appellant in staat is hem gedurende een aanvangsperiode van het werk, naar en van het werk te begeleiden. De Raad heeft het Uwv opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

2.1.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op

3 februari 2015 een rapport uitgebracht. In dit rapport komt de arbeidsdeskundige tot de conclusie dat appellant tijdelijk aangewezen is op persoonlijke begeleiding door een bekende van en naar werk. Vervoer per taxi is zowel voor appellant zelf als voor zijn echtgenote goed mogelijk. De duur van de begeleiding is niet exact te bepalen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht aannemelijk dat de periode van gewenning aan een vaste begeleider/vervoerder niet lang behoeft te zijn.

2.2.

Appellant heeft in een reactie gesteld dat in redelijkheid niet van de echtgenote van appellant verlangd kan worden dat zij ten koste van haar eigen bezigheden meereist met haar echtgenoot. Appellant heeft gesteld dat het rapport van de arbeidsdeskundige van 3 februari 2015 op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies van dit rapport niet gevolgd kunnen worden. Er heeft slechts een kort telefonisch gesprek plaatsgevonden met appellant en de arbeidsdeskundige heeft niet gesproken met de echtgenote van appellant.

2.3.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een nader rapport van 24 maart 2015 toegelicht dat hij heeft geprobeerd de echtgenote van appellant te spreken, maar dat dit niet mogelijk was omdat zij aan het werk was. Op zijn voorstel om later terug te bellen reageerde appellant met de opmerking dat dit geen zin had omdat zijn echtgenote de Nederlandse taal slecht beheerst.

3.1.

De Raad is van oordeel dat het Uwv niet heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in de rapporten van

3 februari 2015 en 24 maart 2015 onvoldoende onderbouwd dat de echtgenote van appellant in staat is hem gedurende een aanvangsperiode naar en van het werk te begeleiden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft volstaan met een telefonisch contact met appellant. Hij heeft de echtgenote van appellant zelf niet gesproken en heeft evenmin expliciet navraag gedaan met betrekking tot de situatie op de datum in geding, 22 februari 2011. Met de nadere rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is nog steeds geen zekerheid verkregen of de echtgenote van appellant op de datum in geding daadwerkelijk in staat is geweest in de voor appellant noodzakelijke begeleiding te voorzien. Daarbij komt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 11 maart 2014 niet alleen heeft vastgesteld dat appellant in aanvang samen kan reizen met een bekende, maar ook dat zo’n bekende/familielid niet meer noodzakelijk is na gewenning aan een andere vaste begeleider. Over de beschikbaarheid van een andere vaste begeleider heeft het Uwv zich in het geheel niet uitgelaten. De Raad komt tot de conclusie dat het Uwv, uitgaande van de noodzakelijke vervoersvoorziening, er niet in is geslaagd de geschiktheid van de geselecteerde functies deugdelijk te onderbouwen dan wel andere geschikte functies te selecteren.

3.2.

Uit hetgeen is overwogen in 3.1, bezien in samenhang met de overwegingen in beide tussenuitspraken, volgt dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. Die uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard en dit besluit wordt vernietigd. Gelet op de arbeidskundige rapporten, de vaststelling dat aan de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling onvoldoende functies ten grondslag kunnen worden gelegd en de omstandigheid dat het Uwv meerdere malen de gelegenheid heeft gehad het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, ziet de Raad aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren en het (primaire) besluit van 1 februari 2011 in zoverre te herroepen en te bepalen dat de loongerelateerde WGA-uitkering waarop appellant per 22 februari 2011 recht heeft, wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

3.3.

De Raad wijst het verzoek van appellant toe om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

4. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten begroot op € 980,- in bezwaar (2 punten), € 1.470,- in beroep (3 punten) en € 1.960,- in hoger beroep (4 punten), in totaal € 4.410,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 12 juli 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2011 gegrond;

  • -

    herroept het besluit van 1 februari 2011 voor zover daarbij de loongerelateerde

WGA-uitkering is gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80% en bepaalt dat die uitkering met ingang van 22 februari 2011 wordt gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellant van de wettelijke rente zoals onder 3.3 van deze uitspraak is vermeld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in bezwaar, beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 4.410,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) I. Mehagnoul

NK