Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2568

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
14/1531 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoogte loongerelateerde WIA-uitkering. Inkomen uitarbeid. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling zijn van de gronden van het beroep bij de rechtbank. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak deze gronden besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze gronden niet kunnen slagen. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1531 WIA

Datum uitspraak: 31 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

25 februari 2014, 13/2685 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt vanaf 4 september 2010 een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Hij is gedeeltelijk werkzaam gebleven bij zijn werkgever.

1.2.

Bij besluiten van 11 januari 2012, 20 maart 2012, 10 april 2012 en 3 juli 2012 heeft het Uwv in verband met inkomsten uit arbeid de hoogte van appellantes uitkering over de maanden december 2011 tot en met maart 2012 en over de maand mei 2012 vastgesteld. Het bezwaar hiertegen is in eerste instantie niet-ontvankelijk verklaard, maar na een procedure bij de rechtbank heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 5 september 2013 (bestreden besluit) na een inhoudelijke behandeling ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is in de besluiten waartegen het bezwaar is gericht op inzichtelijke en juiste wijze de gevolgen van appellantes verdiensten voor de hoogte van de uitkering uiteengezet.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat in een eerdere uitspraak van de rechtbank van 26 juni 2013 (zaaknummer 11/578) is overwogen dat de werkgever met ingang van 1 januari 2011 eigenrisicodrager is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond wordt gezien voor twijfel aan de juistheid van de door het Uwv gemaakte berekeningen van de hoogte van zijn uitkering. Tot slot is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen sprake, nu de fase van bezwaar en beroep niet langer heeft geduurd dan de op grond van vaste rechtspraak van de Raad maximaal toegestane termijn van twee jaar.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn stelling herhaald dat niet duidelijk is of zijn werkgever eigenrisicodrager is. Verder heeft hij aangevoerd dat niet kan worden nagegaan of de berekeningen van de hoogte van zijn uitkering juist zijn, omdat het Uwv niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is volgens appellant wel overschreden.

4. De Raad is van oordeel dat de gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd in essentie een herhaling zijn van de gronden van het beroep bij de rechtbank. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak deze gronden besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze gronden niet kunnen slagen. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.S. van der Kolk en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2015.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) H.J. Dekker

UM