Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2564

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
14/825 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen sprake van (licht) toegenomen beperkingen voor het verrichten van arbeid ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak als destijds bij de eerdere WIA-beoordeling. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/825 WIA

Datum uitspraak: 10 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

14 januari 2014, 13/3225 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.P. van Stralen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.E. Jacobs, kantoorgenoot van mr. van Stralen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als magazijnmedewerker/orderverzamelaar. Voor dit werk is hij uitgevallen met lichamelijke en psychische klachten. Bij besluit van 26 november 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 7 januari 2011 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. De door appellant tegen dit besluit aanhangig gemaakte procedures hebben geleid tot de uitspraak van 5 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9397, waarbij de vaststelling dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan in rechte onaantastbaar is geworden.

1.2.

Op 5 september 2012 heeft appellant een melding gedaan van verslechtering van zijn gezondheid. Na onderzoek heeft een verzekeringsarts van het Uwv geconcludeerd dat vanaf

5 september 2012 sprake is van (licht) toegenomen beperkingen voor het verrichten van arbeid ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak als destijds bij de eerdere WIA-beoordeling. Na onderzoek door een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van

21 januari 2013 vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

In bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv in afwijking van de verzekeringsarts de eerste toegenomen arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld op

1 april 2012 en diverse extra beperkingen vastgesteld ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. Na onderzoek door een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2013 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 januari 2013 ongegrond verklaard, omdat appellant onverminderd minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar zijn persoonlijk en sociaal functioneren en de gevolgen daarvan voor zijn functionele mogelijkheden. Appellant claimt als gevolg van zijn psychische stoornis volledig arbeidsongeschikt te zijn. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de toepassing van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de Wet WIA moet allereerst worden bezien of binnen vijf jaar na de datum van weigering van de arbeidsongeschiktheidsuitkering de medische beperkingen zijn toegenomen. Aan in verband daarmee opgestelde, zorgvuldig tot stand gekomen, consistente en concludente rapporten van een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) komt naar vaste rechtspraak van de Raad een bijzondere waarde toe (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4016). Het hoger beroep richt zich, blijkens de gronden, in het bijzonder tegen de verzekeringsgeneeskundige grondslag van de vaststelling dat ook met toegenomen beperkingen de arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 35% bedraagt.

4.2.

Appellant heeft in beroep noch in hoger beroep aannemelijk gemaakt dat de genoemde rapporten op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten dan wel niet concludent zijn. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is. De verzekeringsartsen hebben eigen onderzoek verricht en kennisgenomen van alle beschikbare informatie in het dossier, waaronder uitgebreide medische informatie van behandelend artsen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft blijkens zijn rapport van 2 mei 2013 zijn conclusies gebaseerd op recente medische informatie en de psychische klachten betrokken bij zijn overwegingen. Vervolgens is hij tot de conclusie gekomen dat de psychische problematiek niet dermate ernstig is dat appellant volledig arbeidsongeschikt dient te worden geacht. Wel neemt deze arts nog diverse beperkingen aan ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. De rechtbank heeft onderkend dat de diagnose in april 2012 is gewijzigd, maar terecht erop gewezen dat dit niet per definitie leidt tot meer beperkingen. In dit geval hebben de verzekeringsartsen weliswaar beperkingen toegevoegd aan de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Dit hoeft echter niet te leiden tot een grotere mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat dit moet volgen uit arbeidskundig onderzoek. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verzekeringsartsen de psychische en lichamelijke klachten van appellant en de daarmee samenhangende beperkingen toereikend hebben onderbouwd. Appellant heeft verder in beroep noch in hoger beroep medische informatie overgelegd die leidt tot twijfel aan de juistheid van de inhoud van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Er is dan ook geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank over de deugdelijkheid van de uitkomst van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de FML van 8 april 2013 voor onjuist houden.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht als passend dienen te worden aangemerkt. Door de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is naar behoren gemotiveerd dat de signaleringen in de Resultaat functiebeoordeling geen aanleiding geven om aan te nemen dat de belasting in de geselecteerde functies appellants belastbaarheid zal overschrijden. Terecht heeft de rechtbank de beslissing van het Uwv juist geacht dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat appellant dus terecht een uitkering op grond van de Wet WIA is ontzegd.

4.4.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2015.

(getekend) P.H. Banda

(getekend) I. Mehagnoul

NK