Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2560

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
13/3175 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister heeft terecht en op goede gronden de aanvraag om studiefinanciering op grond van artikel 2.14 van de Wsf 2000 afgewezen. De door appellant gevolgde opleiding aan het Kolleg für Tourismus behoort niet tot het hoger onderwijs in Oostenrijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1505
RSV 2015/192

Uitspraak

13/3175 WSF

Datum uitspraak: 22 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 mei 2013, 12/5471 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Oostenrijk) (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft ir. W.J. den Held hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2015. Voor appellant is ir. Den Held verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft studiefinanciering aangevraagd voor de tweejarige opleiding Hotelmanagement aan de Oostenrijkse onderwijsinstelling Tourismusschulen Salzburg, vestiging het Kolleg für Tourismus te Klessheim.

1.2.

Bij besluiten van 20 november 2009 heeft de rechtsvoorganger van de minister, de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, deze aanvraag afgewezen en bepaald dat appellant per 1 oktober 2009 respectievelijk vanaf 1 januari 2010 geen recht op studiefinanciering heeft. Bij besluit van 20 juli 2010 heeft de minister het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 20 november 2009 ongegrond verklaard. Volgens de minister heeft appellant geen recht op studiefinanciering voor hoger onderwijs op grond van artikel 2.14 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) omdat de onderwijsinstelling Tourismusschulen Salzburg geen hoger onderwijsinstelling is. De minister heeft zich hierbij gebaseerd op een advies van de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic). Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat evenmin recht op studiefinanciering voor beroepsonderwijs bestaat op grond van artikel 2.13a van de Wsf 2000, bezien in samenhang met artikel 3.3 van de Regeling studiefinanciering 2000 (Rsf 2000), omdat de opleiding van appellant geen unieke opleiding is. De minister heeft zich hierbij gebaseerd op een advies van het Centraal orgaan van landelijke opleidingsorganen van het bedrijfsleven (Colo).

1.3.

Naar aanleiding van het door appellant tegen het besluit van 20 juli 2010 ingestelde beroep heeft de minister nadere adviezen van de Nuffic van 13 en 17 januari 2011 en

13 juli 2011 overgelegd. In de adviezen van januari 2011 wordt vermeld dat het hoger onderwijs in Oostenrijk wordt verzorgd door universiteiten en Fachhochschulen en de Tourismusschulen Salzburg daar niet onder vallen. De opleiding van appellant kan niet worden gewaardeerd op het niveau van een Associate Degree (AD) omdat een AD twee jaar hoger onderwijs vertegenwoordigt en de opleiding van appellant niet onder het hoger onderwijs valt. In het advies van 13 juli 2011 is vermeld dat “de Oostenrijkse collega’s” hebben bevestigd dat de onderwijsinstelling geen deel uitmaakt van het hoger onderwijs in Oostenrijk en dus evenmin een onderdeel vormt van de hbo bachelorgraad.

1.4.

De rechtbank `s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 3 april 2012 het beroep van appellant tegen het besluit van 20 juli 2010 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet zonder meer kunnen baseren op de adviezen van de Nuffic omdat daaruit onvoldoende blijkt op basis van welke gegevens die tot stand zijn gebracht en welke procedure bij het tot stand brengen van die adviezen is gevolgd. Daartoe is overwogen dat uit de adviezen van de Nuffic niet valt al te leiden dat aan de algemene waarderingscriteria is getoetst om te beoordelen of de buitenlandse opleiding vergelijkbaar is met een Nederlandse opleiding. Verder maakt de mededeling van “de Oostenrijkse collega’s” niet inzichtelijk namens welke instelling welk onderzoek is uitgevoerd om tot de getrokken conclusie te komen.

1.5.

Bij besluit van 8 juni 2012 (bestreden besluit) heeft de minister, gelet op een nader advies van de Nuffic, de afwijzing van de aanvraag opnieuw gehandhaafd. De minister stelt zich op het standpunt dat eerst aan de Algemene waarderingscriteria bij het beoordelen van buitenlandse opleidingen voor de meeneembaarheid van studiefinanciering (Algemene waarderingscriteria) wordt getoetst als de buitenlandse onderwijsinstelling deel uitmaakt van het hoger onderwijs in dat land. Volgens informatie van de Enic Naric Austria, de met de Nuffic vergelijkbare organisatie in Oostenrijk, maakt de opleiding van appellant geen deel uit van het hoger onderwijs in Oostenrijk.

2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft lopende die procedure de Nuffic verzocht kenbaar te maken welke toetsingscriteria de Enic Naric Austria gebruikt om vast te stellen of een opleiding al dan niet behoort tot het hoger onderwijs en waarom het Kolleg für Tourismus niet behoort tot het hoger onderwijs. In antwoord hierop heeft de Nuffic bij email van 7 februari 2013 gemeld dat het Kolleg für Tourismus in Oostenrijk niet onder het hoger onderwijs valt omdat hoger onderwijsopleidingen in Oostenrijk worden aangeboden aan Hochschulen (Universitäten en Fachhochschulen) en het Kolleg geen Hochschule, maar een Berufsbildende Schule is. Het hoger onderwijs in Oostenrijk valt onder de verantwoordelijkheid van het Bundesministerium für Wissenschaft und Forschung. Het beroepsonderwijs in Oostenrijk valt onder de verantwoordelijkheid van het Bundesministerium für Unterricht, Kunst und Kultur.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de minister met de nadere gegevens van de Nuffic voldoende heeft onderbouwd dat de door appellant gevolgde opleiding aan het Kolleg für Tourismus geen erkende hoger beroepsopleiding is. De opleiding valt onder het Bundesministerium für Unterricht, Kunst und Kultur en is - zo heeft de minister onweersproken gesteld - niet opgenomen in het overzicht van Postsekundaire Bildungseinrichtingen van het Bundesministerium für Wissenschaft und Forschung. Het Kolleg für Tourismus kan daarom niet worden aangemerkt als Fachhochschule. Nu de opleiding van appellant geen erkende hoger beroepsopleiding is heeft de minister ingevolge het bepaalde in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000 terecht geweigerd aan appellant studiefinanciering toe te kennen. De stelling van appellant dat hij recht heeft op studiefinanciering omdat de door hem gevolgde opleiding kwalificeert als een AD faalt omdat in een dergelijk geval moet vaststaan dat de opleiding als hoger beroepsopleiding AD wordt aangemerkt, hetgeen niet het geval is nu de opleiding aan het Kolleg niet wordt aangemerkt als een hoger beroepsopleiding. Hetgeen verder nog is aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de minister het bestreden besluit niet heeft kunnen handhaven.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant stelt dat toekenning van studiefinanciering op grond van artikel 2.14 van de Wsf 2000 niet kan worden geweigerd op grond van het enkele feit dat de opleiding aan het Kolleg für Tourismus in Oostenrijk niet behoort tot het hoger onderwijs. Er moet een inhoudelijke vergelijking met overeenkomstige opleidingen in Nederland plaatsvinden. Het gaat om de waardering van het behaalde diploma naar Nederlandse maatstaven en begrippen. Dit blijkt uit de tekst van artikel 2.14 van de Wsf 2000 en uit Kamerstukken II 2006/07, 30 933, nr. 8, blz. 5. De door appellant gevolgde opleiding is volgens de Algemene waarderingscriteria vergelijkbaar met een Nederlandse AD-opleiding en derhalve bestaat er voor die opleiding recht op studiefinanciering ingevolge artikel 2.14 van de Wsf 2000.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De van toepassing zijnde wet- en regelgeving ten tijde van belang luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

Artikel 2.14 Wsf 2000 Buitenlandse opleidingen hoger onderwijs

1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die na 31 augustus 2007 zijn ingeschreven voor het volgen van hoger onderwijs aan een opleiding buiten Nederland (…).

2. Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die:

a. is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland, voorzover in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt, het niveau en de kwaliteit van de opleiding vergelijkbaar zijn met overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW en het afsluitend examen voor de opleiding vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW, (…)

Artikel 2.13a Wsf 2000 Buitenlandse opleidingen beroepsonderwijs

1. Voor studiefinanciering kan een deelnemer in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland:

a. waarvan het niveau en de kwaliteit vergelijkbaar is met overeenkomstige Nederlandse opleidingen in de zin van de WEB en waarvan het afsluitend examen vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor een opleiding in de zin van de WEB, en

b. die overigens voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria.

Artikel 3.3 Regeling studiefinanciering 2000

Studiefinanciering volledige opleiding in het buitenland: beroepsonderwijs

1.Voor studiefinanciering kan een deelnemer als bedoeld in artikel 2.13a van de wet in aanmerking komen die onderwijs volgt aan een opleiding die voldoet aan de volgende criteria:

a. de opleiding wordt verzorgd aan een instelling in het Gewest Brussel voorzover het betreft Nederlandstalige opleidingen, in Vlaanderen of in de Bondsrepubliek Duitsland en

b. de opleiding wordt voltijds verzorgd op een wijze die vergelijkbaar is met de beroepsopleidende leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder a, van de WEB.

2.In afwijking van het eerste lid, onderdeel a kan een deelnemer voor studiefinanciering in aanmerking komen die onderwijs volgt aan een instelling in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte aan een opleiding die niet vergelijkbaar is met enige beroepsopleiding in de landelijke kwalificatiestructuur als bedoeld in artikel 7.2.4 van de WEB.

4.2.

Artikel 2.14 van de Wsf 2000 moet zo worden uitgelegd dat slechts een aanspraak op studiefinanciering voor opleidingen buiten Nederland kan bestaan voor die opleidingen die in het desbetreffende buitenland behoren tot het hoger onderwijs. Dit betekent dat eerst, en alleen dan, wanneer de buitenlandse opleiding waarvoor studiefinanciering wordt aangevraagd onderdeel uitmaakt van het hoger onderwijs in dat land, aan de hand van de door de Nuffic opgestelde Algemene waarderingscriteria zal worden beoordeeld of de buitenlandse opleiding voldoet aan de criteria, gesteld in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000. Hiertoe wordt het volgende redengevend geacht. Op de eerste plaats spreekt de aanhef van artikel 2.14 van de Wsf 2000 van buitenlandse opleidingen hoger onderwijs. Voorts vindt deze uitleg steun in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 24 mei 2007 tot wijziging van onder meer de Wsf 2000 in verband met uitbreiding van de mogelijkheid met studiefinanciering in het buitenland te studeren en invoering van het collegegeldkrediet (Stb. 2007, 200). Zie Kamerstukken II 2006/07, 30 933, nr. 3, blz. 7: “Samenvattend zal Nuffic van elke opleiding in het buitenland waarvoor een student studiefinanciering aanvraagt, nagaan of de opleiding van voldoende kwaliteit is en wordt afgesloten met een diploma dat ten minste het niveau heeft van een Nederlands hoger onderwijsdiploma. Onder opleiding wordt hier overigens verstaan een hoger onderwijsopleiding vergelijkbaar met een Nederlandse bachelor- of masteropleiding of een geheel daarvan (…). Na invoering van Associate Degreeopleidingen in Nederland kan ook voor dergelijke opleidingen in het buitenland studiefinanciering worden gebruikt”. Zie verder Kamerstukken II 2006/07, 30 933, nr. 3, blz. 10: “Indien sprake is van hoger onderwijs dat van voldoende kwaliteit is, kan dan een toekenning van (...) studiefinanciering plaatsvinden”, en Kamerstukken II, 2006/07, 30 933, nr. 8, blz. 2: “De regering is van mening dat studenten hun studiefinanciering moeten kunnen gebruiken voor het volgen van hoger onderwijs dat van voldoende niveau en kwaliteit is.”

4.3.

Gelet op de door de Enic Naric Austria en de Nuffic verstrekte informatie, in het bijzonder de onder 2.1 vermelde email van de Nuffic van 7 februari 2013, staat genoegzaam vast dat de door appellant gevolgde opleiding aan het Kolleg für Tourismus niet behoort tot het hoger onderwijs in Oostenrijk. In het licht van wat onder 4.2 is overwogen betekent dit dat het oordeel van de rechtbank wordt gevolgd en dat de minister dus terecht en op goede gronden de aanvraag om studiefinanciering van appellant op grond van artikel 2.14 van de Wsf 2000 heeft afgewezen.

4.4.

Ter zitting bij de Raad heeft appellant subsidiair betoogd dat de aanvraag om studiefinanciering had moeten worden toegewezen op grond van artikel 2.13a van de Wsf 2000. Dit betoog faalt eveneens. Gelet op het aan de minister uitgebrachte advies van Colo (thans: SSB) van 3 oktober 2012 kan de door appellant gevolgde opleiding aan het Kolleg für Tourismus niet worden gekwalificeerd als een unieke opleiding als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, van de Regeling studiefinanciering 2000. De door appellant gevolgde opleiding is volgens Colo inhoudelijk vergelijkbaar met de middenkaderopleiding Ondernemer horeca in het Nederlandse middelbaar beroepsonderwijs.

4.5.

Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd. Voor een veroordeling tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente, zoals door appellant verzocht, is bij dit oordeel geen plaats.

5. Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en M.F. Wagner en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2015.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) R.L. Rijnen

AP