Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2549

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
14-558 MAW-T
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. PTTS. Zorgplicht. De minister heeft niet aangetoond dat hij ten aanzien van appellant de zorgplicht is nagekomen. De minister heeft (op zitting) in dit verband betoogd dat mogelijk relevante medische gegevens ontbreken, omdat deze zonder toestemming van appellant niet worden verstrekt. De minister heeft appellant tot op heden niet om toestemming, dan wel medewerking gevraagd. Echter, zonder deze nadere gegevens kan geen verdergaand onderzoek naar de aan appellant geboden en verleende zorg plaatsvinden. De minister heeft ter zitting van de Raad uitdrukkelijk verzocht aan hem een nadere termijn te gunnen voor het doen van - aanvullend - onderzoek hiernaar. Daartoe heeft hij aangevoerd dat er eerder geen aanleiding bestond voor een dergelijk onderzoek, omdat de rechtbank de minister had gevolgd in zijn opvatting dat aan de zorgplicht is voldaan. Voorts heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat uit deze nadere informatie kan blijken dat de - vermeende - vordering is verjaard. Opdracht tot herstel gebrek. Daarbij dient de minister zich uit te laten over de concreet aan appellant geboden zorg. De Raad acht het daarnaast aangewezen dat de minister tevens zonder voorbehoud een standpunt inneemt over de verjaring van de - vermeende - vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/294
TAR 2015/155

Uitspraak

14/558 MAW-T, 14/2575 MAW-T

Datum uitspraak: 23 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 december 2013, 12/5216 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V. Dolderman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 14/560 MAW plaatsgevonden op

27 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dolderman. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.P. van Zandbergen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2.

Appellant heeft in de periode van 1994 tot 2000 als dienstplichtige en als beroepsmilitair voor bepaalde tijd tweemaal deelgenomen aan een militaire missie in voormalig Joegoslavië.

1.3.

Bij brief van 6 december 2010, aangevuld met zijn brief van 2 maart 2011, heeft appellant de minister - voor zover hier van belang - aansprakelijk gesteld voor de schade voortkomende uit de posttraumatische stressstoornis (PTSS) die hij heeft opgelopen na zijn uitzendingen naar het voormalige Joegoslavië. Hierbij heeft hij gewezen op het gebrek aan zorg tijdens de uitzendingen en de gebrekkige nazorg en begeleiding na terugkeer.

1.4.

Bij besluit van 14 februari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 mei 2012 (bestreden besluit), heeft de minister afwijzend op het verzoek van appellant beslist. De minister heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat hij heeft voldaan aan zijn zorgplicht en derhalve geen aansprakelijkheid hoeft te erkennen. Omdat de medische gegevens niet compleet zijn, maakt de minister een voorbehoud ten aanzien van verjaring van de

- vermeende - vordering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep in hoofdlijnen dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Samengevat komen deze gronden erop neer dat de minister de zorgplicht heeft geschonden. Appellant heeft hierbij met name weer gewezen op de gebrekkige zorg tijdens de uitzendingen en na terugkeer.

3.2.

De minister heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat als de Raad zou oordelen dat de minister de zorgplicht heeft geschonden, dit niet leidt tot een gegrondverklaring van het beroep. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de bij appellant vastgestelde PTSS niet aan gebrek aan nazorg kan worden toegeschreven. Voorts heeft de minister het voorbehoud ten aanzien van de verjaring van de
- vermeende - vordering opnieuw naar voren gebracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

hoger beroep van appellant

4.1.

Volgens vaste rechtspraak heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht (CRvB 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072). De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

4.2.

Op de minister rust in beginsel de last om aannemelijk te maken dat de zorg voor, tijdens en na de uitzending voldoende is geweest, uitgaande van de omstandigheden van het geval en van de toenmalige stand van de wetenschap. Indien dusdanige tekortkomingen naar voren komen dat deze als een schending van de zorgplicht moeten worden aangemerkt, wordt het causaal verband met de PTSS als een gegeven beschouwd, tenzij de minister aannemelijk maakt dat de PTSS niet aan het gebrek aan nazorg kan worden toegeschreven. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 25 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1164.

4.3.

In het primaire besluit van 14 februari 2012 heeft de minister uiteengezet in welke, ten tijde hier van belang, - algemene - zorg voor, tijdens en na uitzending aan militairen was voorzien. Samengevat kwam dit neer op het volgende. In de periode voorafgaande aan de uitzending werd voorlichting en onderwijs gegeven en werden thuisfrontinformatiedagen georganiseerd. Tijdens de - gehele - uitzending was een sociaal medisch team aanwezig in het uitzendgebied. Dit team bestond uit een arts, een maatschappelijk werker, een geestelijk verzorger en psychologen. De zorg na afloop van de uitzending bestond uit het voeren van een - individueel - einddebriefingsgesprek in het uitzendgebied. Na terugkeer in Nederland werd - op individuele basis of in groepsverband - een terugkeergesprek met de militair gevoerd. Tot slot werd zes maanden na terugkeer een nazorgvragenlijst toegezonden aan de militair en zijn partner. Op basis van de door de militair en de partner verstrekte informatie kon nadere zorg aangeboden en verleend worden.

4.4.

Appellant heeft betoogd dat hij voorafgaande aan de uitzending onvoldoende is voorbereid en dat in zijn geval geen sociaal medische screening heeft plaatsgevonden. Voorts heeft hij gedurende zijn uitzendingen geen ondersteuning van psychologen gehad ondanks de traumatische incidenten die hij heeft doorgemaakt. Hij heeft geen einddebriefing in het uitzendgebied gehad, hij heeft geen terugkeergesprek gehad en hij heeft nimmer de nazorglijst ontvangen.

4.5.

De minister heeft, ook ter zitting van de Raad, uitsluitend in algemene termen gesteld dat de in 4.3 genoemde zorg voor, tijdens en direct na de uitzendingen van appellant doorgaans plaatsvonden. Dat deze zorg ook daadwerkelijk aan appellant is aangeboden, heeft de minister niet aangetoond.

4.6.

Wat de periode daarna betreft valt uit de aanwezige stukken niet af te leiden dat appellant, of de behandelende sector vóór 2006, aanwijzingen had voor het bestaan van psychische problematiek bij appellant. Op 16 juni 2006 heeft kolonel-arts W appellant gezien en een vermoeden van een PTSS bij appellant geuit. In zijn brief van 21 juni 2006, gericht aan de stafarts dr. F, heeft W gesteld dat er bij appellant een PTSS aan de orde zou kunnen zijn, of dat een persoonlijkheidsstoornis van het milde type een rol kan spelen. Hij adviseert dit nader te onderzoeken. Hij heeft dit telefonisch besproken met dr. F. De concrete afspraak is gemaakt dat er actie wordt ondernomen door de stafarts van de KMAR. Vervolgens is op 5 juni 2008 een rapport militaire Geneeskundig Onderzoek uitgebracht, waarin onder andere is vermeld dat sprake is van een aandoening van psychische aard. Uit de stukken blijkt niet dat appellant in de tussengelegen periode enige begeleiding of behandeling is geboden voor zijn psychische problemen. Uit het advies van de medisch adviseur van de minister van 31 januari 2012 blijkt dat er in de periode van 25 oktober 2006 tot 5 september 2008 geen bedrijfsgeneeskundige begeleiding heeft plaatsgevonden. In dit verslag is tevens vermeld dat de bedrijfsarts op

19 oktober 2009 heeft genoteerd dat appellant de laatste jaren, met name door lacunes in en ontbreken van de begeleiding, in toenemende mate lichamelijk en mentaal is afgegleden.

4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat de minister niet aangetoond heeft dat hij ten aanzien van appellant de zorgplicht is nagekomen. Het bestreden besluit is derhalve onvoldoende gemotiveerd.

4.8.

De minister heeft in dit verband betoogd dat mogelijk relevante medische gegevens ontbreken, omdat deze zonder toestemming van appellant niet worden verstrekt. De minister heeft appellant tot op heden niet om toestemming, dan wel medewerking gevraagd. Echter, zonder deze nadere gegevens kan geen verdergaand onderzoek naar de aan appellant geboden en verleende zorg plaatsvinden. De minister heeft ter zitting van de Raad uitdrukkelijk verzocht aan hem een nadere termijn te gunnen voor het doen van - aanvullend - onderzoek hiernaar. Daartoe heeft hij aangevoerd dat er eerder geen aanleiding bestond voor een dergelijk onderzoek, omdat de rechtbank de minister had gevolgd in zijn opvatting dat aan de zorgplicht is voldaan. Voorts heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat uit deze nadere informatie kan blijken dat de - vermeende - vordering is verjaard.

incidenteel hoger beroep van de minister

4.9.

Gelet op het voorwaardelijk karakter van het incidenteel hoger beroep zal de Raad dit hoger beroep in de tussenuitspraak buiten bespreking laten.

tot slot

4.10.

Wat onder 4.7 en 4.8 is overwogen geeft aanleiding om, mede met het oog op een definitieve beslechting van het geschil, met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht de minister op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daarbij dient de minister zich uit te laten over de concreet aan appellant geboden zorg. De Raad acht het daarnaast aangewezen dat de minister tevens zonder voorbehoud een standpunt inneemt over de verjaring van de - vermeende - vordering.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt de minister op binnen 12 weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 10 mei 2012 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en M.T. Boerlage en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2015.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD