Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2546

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
14-484 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf. Wederzijdse zorg. Gehouden aan verklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/484 WWB, 14/546 WWB

Datum uitspraak: 28 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 december 2013, 12/5860 en 12/5885 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats 1] (appellante) en [appellant] te [woonplaats 1] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tiel (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellante heeft mr. M.A.E. Bol hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Appellante heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Appellanten zijn verschenen. Appellante werd bijgestaan door mr. Bol. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.J. Stoffer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds september 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante stond ten tijde hier van belang ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het [adres 1] te [woonplaats 1] (uitkeringsadres). Appellant stond in de GBA ingeschreven op het [adres 2] te [woonplaats 2], het woonadres van [A.] (A).

1.2.

Op 24 augustus 2011 en op 5 december 2011 heeft op het uitkeringsadres vanwege het college een huisbezoek plaatsgevonden. In de rapportage van het op 5 december 2011 verrichte huisbezoek is onder meer vermeld dat niet valt vast te stellen dat appellante een gezamenlijke huishouding voert, dat het vermoeden hierover blijft bestaan en dat, om vast te stellen dat daadwerkelijk sprake is van een gezamenlijke huishouding, een onderzoek door de sociale recherche (SR) moet worden gestart naar het verblijf van appellant op het uitkeringsadres. Dat onderzoek is op 5 december 2011 aangevraagd.

1.3.

Vervolgens heeft de SR een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de SR onder meer dossieronderzoek verricht, inlichtingen ingewonnen bij de RDW en bij leveranciers van gas, licht en water, waarnemingen verricht in de periode van 15 december 2011 tot en met 22 februari 2012, getuigen gehoord en appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een op ambtsbelofte opgemaakte rapportage van 5 maart 2012.

1.4.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien de volgende besluiten te nemen. Bij besluit van 10 april 2012 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 maart 2012 ingetrokken. Bij besluit van 11 april 2012 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 2009 tot en met 29 februari 2012 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 41.078,24 van haar teruggevorderd en mede van appellant teruggevorderd. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten vanaf 1 juli 2009 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het uitkeringsadres, dat appellante daarvan aan het college geen mededeling heeft gedaan en dat appellanten beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bijstand.

1.5.

Bij besluit van 15 oktober 2012 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 10 en 11 april 2012 ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk besluit van 15 oktober 2012 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 april 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Wat appellant tegen de medeterugvordering heeft aangevoerd komt tevens aan de orde bij de bespreking van de intrekking van de bijstand van appellante.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Voor het in deze zaken van belang zijnde wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

De intrekking

4.1.

Zoals de rechtbank ook heeft vastgesteld, loopt de voor de intrekking van de bijstand van appellante te beoordelen periode van 1 juli 2009 tot en met 10 april 2012. De rechtbank heeft bij de verdere beoordeling terecht vooropgesteld dat een besluit tot intrekking van bijstand een voor de betrokkene belastend besluit is, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

Appellanten erkennen dat zij gedurende de te beoordelen periode een relatie met elkaar hebben gehad, maar zij bestrijden dat aan de criteria voor het voeren van een gezamenlijke huishouding - het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning en de wederzijdse zorg - is voldaan.

4.3.

Appellanten stonden in de te beoordelen perioden op verschillende adressen in de GBA ingeschreven. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient evenwel te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4.

Niet in geschil is dat appellante gedurende de te beoordelen periode haar hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, kan de rechtbank op grond van de volgende overwegingen worden gevolgd in haar oordeel dat de gedingstukken een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat ook appellant tijdens de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres.

4.4.1.

In de eerste plaats is daarvoor van belang dat appellant de destijds door hem bewoonde woning [adres 3] te [woonplaats 1] in het kader van een echtscheidingsprocedure heeft moeten verlaten en dat hij pas in januari 2012 weer de beschikking heeft gekregen over de sleutel van de woning en is begonnen met het opknappen van de woning.

4.4.2.

Appellant heeft op 28 februari 2012 tegenover de SR verklaard dat hij sinds twee en een half jaar niet meer in de in 4.4.1 genoemde woning is geweest en dat hij in de tussentijd bij appellante, zijn moeder en zijn broer heeft verbleven. In die periode was hij ieder weekend, in de vakanties en doordeweeks het grootste gedeelte van de tijd bij appellante. Appellant was, zo heeft hij verklaard, sinds half 2009 tot heden het grootste gedeelte van de tijd bij appellante en hij heeft van appellante gehoord dat zij dit ook eerlijk aan de sociale dienst heeft doorgegeven.

4.4.3.

Appellante heeft tijdens het eerste verhoor tegenover de SR het volgende verklaard (samengevat). Appellant is in het weekend vaak bij mij en met de vakanties altijd. Verder is hij er doordeweeks ook regelmatig. Sinds augustus 2009 tot heden is hij gemiddeld per week grotendeels bij mij en appellant zal ook zeggen dat dat zo is. Tijdens het tweede verhoor heeft appellante goeddeels in gelijke zin verklaard, met dien verstande dat zij toen heeft verklaard dat appellant ieder weekend en doordeweeks een dag of drie/vier bij haar is.

4.4.4.

In ondersteunende zin komt voorts betekenis toe aan de verklaring van [B.] (B), bewoonster van de woning naast de woning op het uitkeringsadres. B heeft verklaard (samengevat) dat appellant sinds juli 2009 bij appellante woont. De verklaring van B is voldoende gedetailleerd wat betreft de feiten en omstandigheden waarop die mening stoelt. In de gedingstukken is geen aanknopingspunt te vinden voor het ter zitting door appellante betrokken standpunt dat aan de verklaring van B wegens haar psychische gesteldheid geen betekenis kan worden gehecht.

4.4.5.

Ook de gegevens over het verbruik van energie en water vormen een aanwijzing dat appellant zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Appellante heeft, hiernaar gevraagd, tegenover de SR verklaard dat de toename van het verbruik - blijkend uit hogere rekeningen daarvoor - kan worden verklaard uit de regelmatige aanwezigheid van appellant bij haar.

4.4.6.

Appellant heeft tegenover de SR verklaard dat, als hij niet bij appellante is, hij weleens bij A en bij zijn moeder is. Appellante heeft verklaard dat appellant soms bij iemand anders is, zoals zijn broer en zijn moeder. Dat standpunt spoort met wat de moeder van appellant als getuige tegenover de SR heeft verklaard. De rechtbank heeft in dit verband terecht mede betekenis gehecht aan de verklaringen die twee als getuige gehoorde buurtbewoners nabij de woning van A over het verblijf van appellant aldaar hebben verklaard. Het college heeft daaraan niet ten onrechte de conclusie verbonden dat deze onderdelen van de verklaringen van appellanten en deze drie getuigenverklaringen overeenkomen met de verklaringen dat appellant in de te beoordelen periode het grootste gedeelte van de tijd bij appellante heeft verbleven.

4.5.

Uit 4.4 tot en met 4.4.6 volgt dat aan het eerste criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.6.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.7.

Anders dan appellanten, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat ook aan dat criterium is voldaan. Weliswaar is van een financiële verstrengeling tussen appellanten niet gebleken, maar uit hun verklaringen komen voldoende andere feiten en omstandigheden naar voren om aan te nemen dat sprake is van zorg over en weer. Dit betreft het doen van boodschappen, het koken, het verrichten van klusjes, het doen van huishoudelijke taken, het gebruik van de auto en het doen van de administratie.

4.8.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij niet aan hun tegenover de SR afgelegde verklaringen kunnen worden gehouden. Zij stellen de in de verklaringen neergelegde bewoordingen niet te hebben gebruikt, dat sprake was van onaanvaardbare druk en van een rommelige gang van zaken tijdens de verhoren. Zij stellen verder dat de zich in het dossier bevindende verklaringen vervalsingen zijn in die zin, dat het daarbij niet gaat om de door hen doorgelezen en ondertekende bladzijden.

4.8.1.

De verklaringen zijn afgelegd tegenover twee sociaal-rechercheurs en neergelegd in op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Appellanten hebben hun verklaring(en) per bladzijde getekend. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Er bestaat geen aanleiding hiervan in dit geval af te wijken. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat hun verklaringen niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk zijn afgelegd. Appellante heeft voorafgaand aan haar verhoren contact gehad met haar advocaat en appellant heeft verklaard dat hij geen gebruik wenst te maken van het recht om een advocaat te raadplegen. Appellanten hebben erkend dat zij de hen voorgelegde afdruk van hun verklaring hebben doorgelezen en dat zij de hen voorgelegde bladzijden hebben ondertekend. In bezwaar waren afschriften van de processen-verbaal van de verklaringen voorhanden. De originele processen-verbaal zijn in beroep overgelegd. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat de originele tekst met de handtekeningen en de tekst en de handtekeningen op de afschriften identiek zijn. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het standpunt dat sprake is van vervalsingen. Appellanten hebben dit wel gesteld maar niet met objectieve gegevens onderbouwd. Dat betekent dat mag worden uitgegaan van de in de processen-verbaal weergegeven verklaringen, zoals door appellanten en door de betrokken sociaal rechercheurs ondertekend. Dat in de beleving van appellanten sprake is geweest van een rommelige gang van zaken - wat daarvan verder ook zij - leidt niet tot een ander oordeel.

4.8.2.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat aan hen niet meteen een afschrift van het proces-verbaal van hun verklaring is verstrekt zodat zij ook niet meteen hebben kunnen reageren op de volgens hen onjuiste inhoud ervan. De rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat dit op zichzelf niet afdoet aan de inhoud van de verklaringen. Niet is gebleken dat appellanten hierover direct hebben geklaagd bij het college. Verder is van belang dat de verklaringen in bezwaar, beroep en hoger beroep uitgebreid aan de orde zijn gesteld. Appellanten hebben de verklaringen bestreden met de algemene stellingen dat de inhoud niet klopt en dat zij vervalst zijn, maar zij hebben geen objectieve en verifieerbare feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat wat zij hebben verklaard niet juist kan zijn.

Evenmin hebben zij met betrekking tot de getuigenverklaringen onderbouwd waarom die niet juist kunnen zijn.

4.9.1.

De rechtbank heeft overwogen dat het college de resultaten van de eerder afgelegde huisbezoeken niet aan de intrekking ten grondslag heeft gelegd. Appellante heeft naar voren gebracht dat de rechtbank daarmee een onjuiste reactie heeft gegeven op haar beroepsgrond dat de huisbezoeken van 24 augustus 2011 en 5 december 2011 niet hebben geleid tot de vaststelling van een gezamenlijke huishouding.

4.9.2.

De overweging van de rechtbank is feitelijk juist. Voor zover appellanten met deze beroepsgrond willen betogen dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan hun beroepsgrond dat in het resultaat van de huisbezoeken een contra-indicatie is te vinden voor het standpunt van het college, volgt de Raad appellanten daarin niet. Uit 1.2 blijkt dat het college weliswaar ten tijde van de huisbezoeken geen gezamenlijke huishouding heeft kunnen vaststellen, maar uit het procesdossier blijkt dat het college juist wel nader onderzoek door de SR nodig heeft geoordeeld omdat het vermoeden van een gezamenlijke huishouding na de huisbezoeken bleef bestaan.

4.10.

De conclusie is dat de rechtbank het college terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellanten over de te beoordelen periode met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.11.

De rechtbank heeft het college gevolgd in zijn standpunt dat appellante het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant niet heeft gemeld. Appellante heeft zich in de loop van deze procedure steeds op het standpunt gesteld dat het college op de hoogte was van haar relatie met appellant en dat zij daarover ook telkens de nodige inlichtingen heeft verstrekt, zodat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. In dit verband heeft zij zich in hoger beroep mede beroepen op de verklaring die M. Knoester-van der Harst (K) in de strafzaak tegen appellante heeft afgelegd. K heeft blijkens haar verklaring in de periode van maart 2010 tot maart 2011 in haar hoedanigheid van werkcoach met appellante contact gehad.

4.11.1.

Aangenomen moet worden dat het college gedurende de loop van de te beoordelen periode op de hoogte is geraakt van de relatie tussen appellanten. Dat blijkt uit de verklaring van K, en appellante zelf heeft daarover verklaard dat zij dit kenbaar heeft gemaakt tijdens het huisbezoek in augustus 2011. Uit de verklaring van K blijkt evenwel dat K ervan is uitgegaan dat de relatie tussen appellanten niet zodanig was dat toen al sprake was van samenwonen. Appellante heeft, volgens de verklaring van K, tijdens de gesprekken met K juist meegedeeld dat van samenwoning met appellant geen sprake kon zijn omdat dat gevolgen zou hebben voor haar uitkering. K is in haar contacten met appellante van die mededeling uitgegaan.

4.11.2.

Ook overigens kan uit de gedingstukken niet worden afgeleid dat appellante vanaf juli 2009 mededeling heeft gedaan van de omstandigheid dat appellant het merendeel van de tijd bij haar verbleef. Zoals in 1.2 is vermeld, hebben de bevindingen van de huisbezoeken in augustus en december 2011 aanleiding gegeven voor het vermoeden dat mogelijk sprake was van een gezamenlijke huishouding en is naar aanleiding daarvan nader onderzoek door de SR gestart. Uitgaande van de verklaring van appellante van 28 februari 2012 heeft zij pas op die datum melding gemaakt van een hoofdverblijf van appellant bij haar.

4.11.3.

Uit het voorgaande volgt dat, anders dan appellanten stellen, appellante niet tijdig volledige openheid van zaken heeft gegeven over de daadwerkelijke inhoud van haar relatie met appellant. Daarmee is gegeven dat sprake is van een schending van de wettelijke inlichtingenverplichting.

4.12.

De hiervoor vastgestelde schending heeft met zich gebracht dat aan appellante over de te beoordelen periode ten onrechte bijstand is verleend. Zij was immers geen zelfstandig subject van bijstandverlening. Het college was daarom op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, zoals deze bepaling luidde tot 1 juli 2013, bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2009 in te trekken. Wat appellante heeft aangevoerd vormt geen grond om aan te nemen dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De terugvordering

4.13.

Uit 4.12 volgt dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zoals deze bepaling luidde tot 1 januari 2013, bevoegd was de over de periode van 1 juli 2009 tot en met 29 februari 2012 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. In wat appellante heeft aangevoerd, onder meer over haar gezinssamenstelling, ziet de Raad evenals de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De medeterugvordering

4.14.

Uit 4.10 tot en met 4.12 volgt dat appellant de persoon is als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de WWB met wiens middelen bij de verlening van de bijstand aan appellante over de periode van 1 juli 2009 tot en met 29 februari 2012 rekening moest worden gehouden. Het college was daarom bevoegd de over die periode ten onrechte ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Conclusie

4.15.

De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2015.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD