Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
13-6405 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel omdat appellant de inschakeling in algemene arbeid heeft belemmerd door ... zonder bericht van verhindering niet te verschijnen op de bedrijfspresentatie ..., terwijl aan hem tijdig en duidelijk is doorgegeven wanneer en waar de rondleiding zou plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6405 WWB

Datum uitspraak: 28 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 oktober 2013, 13/2752 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (commissie)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Hij nam deel aan het vacaturecafé en had een leerwerkplek bij de [X.].

1.2.

Tijdens een bijeenkomst bij het vacaturecafé heeft een medewerker van de ATEA-groep appellant persoonlijk ingelicht over een rondleiding bij [W.] in Breda op 19 december 2012 om 13.45 uur vanwege een openstaande vacature. Appellant heeft nadien telefonisch nogmaals de naam van de werkgever en ook het adres (kennelijk op een bedrijventerrein in Breda) doorgekregen alsmede de datum en het tijdstip.

1.3.

Blijkens een rapport van 16 januari 2013 is appellant op 19 december 2012 ’s middags zonder bericht niet verschenen bij [W.]. Tijdens het telefonisch hoor- en wederhoorgesprek op 16 januari 2013 heeft appellant verklaard dat hij samen met een andere WWB-klant naar het industrieterrein is gereden en een uur heeft rondgereden maar dat hij het bedrijf niet heeft kunnen vinden.

1.4.

Naar aanleiding hiervan heeft de commissie bij besluit van 25 januari 2013 bij wijze van maatregel de bijstand van appellant met 50% verlaagd over de periode van 1 februari 2013 tot 1 maart 2013.

1.5.

Bij besluit van 12 april 2013 (bestreden besluit) heeft de commissie, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellant de inschakeling in algemene arbeid heeft belemmerd door op 19 december 2012 zonder bericht van verhindering niet te verschijnen op de bedrijfspresentatie bij [W.] in Breda, terwijl aan hem tijdig en duidelijk is doorgegeven wanneer en waar de rondleiding zou plaatsvinden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de commissie het

niet verschijnen van appellant bij de bedrijfspresentatie terecht heeft aangemerkt als een gedraging die de inschakeling in algemene arbeid belemmert. Dat appellant wel zou hebben gezocht naar het bedrijfspand doet niet af aan de verwijtbaarheid van het niet verschijnen. De commissie heeft terecht het standpunt ingenomen dat het op de weg van appellant had gelegen om maatregelen te treffen om het bedrijfsgebouw tijdig te kunnen vinden door vooraf een plattegrond te raadplegen of een plattegrond in de auto mee te nemen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat andere deelnemers aan de bedrijfspresentatie er wel in zijn geslaagd het bedrijfsgebouw tijdig te vinden. De commissie was dan ook gehouden de bijstand te verlagen en heeft overeenkomstig de Maatregelen- en handhavingsverordening 2012 (Verordening) gehandeld door de maatregel met toepassing van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening vast te stellen op 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand. De commissie heeft terecht geen dringende reden gezien op grond waarvan van het opleggen van een maatregel diende te worden afgezien. Evenmin is gebleken dat de ernst van de gedraging, de mate waarin appellant de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert de commissie aanleiding hadden moeten geven een lagere maatregel op te leggen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant aangevoerd dat gesteld noch gebleken is dat hij niet de intentie of bereidheid heeft gehad om tijdig op de desbetreffende locatie aanwezig te zijn. Hij heeft louter door gebrekkige informatievoorziening vanuit de gemeente die locatie niet kunnen vinden. De commissie heeft ook niet bestreden dat appellant nadien nog contact heeft opgenomen met de gemeente om navraag te doen en dat hij zich bereid heeft verklaard om alsnog aan een bedrijfspresentatie mee te werken of daar zelfstandig heen te gaan. Dat anderen wel zijn verschenen is niet van doorslaggevend belang voor de veronderstelling dat daaruit verwijtbaar gedrag van appellant voortvloeit. Ook is de opgelegde maatregel disproportioneel en had volstaan kunnen worden met een minder vergaande maatregel. Appellant heeft verzocht om de commissie te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de hier van belang zijnde wet- en regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Daarbij volgt de Raad het oordeel van de rechtbank dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de Verordening van toepassing was.

4.2.

Niet weersproken is dat het niet verschijnen van appellant een maatregelwaardige gedraging is. In geschil is of deze gedraging appellant kan worden verweten.

4.3.

De bewijslast van feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat betrokkene geen enkel verwijt treft, rust op betrokkene en niet op de commissie. Dit vloeit voort uit het uitzonderingskarakter van de laatste volzin van artikel 18, tweede lid, van de WWB.

4.4.

De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de in 2 weergegeven overwegingen waarop dat oordeel berust en voegt daaraan het volgende toe.

4.5.

Voor de vraag of appellant verwijtbaar heeft gehandeld, is de door appellant gestelde intentie en bereidheid om tijdig op de bedrijfspresentatie aanwezig te zijn niet van doorslaggevende betekenis. Appellant had meer voorzorgsmaatregelen kunnen en moeten nemen om tijdig op de afgesproken plaats te kunnen zijn, zoals het vooraf raadplegen en meenemen van een plattegrond. Vast staat dat appellant dat heeft nagelaten. Indien de gegevens voor de rondleiding, die tijdig en duidelijk aan appellant zijn verstrekt, voor hem onduidelijk waren, had het op zijn weg gelegen daarover vooraf nadere informatie in te winnen. Dat van de zijde van de gemeente sprake was van een gebrekkige informatievoorziening over het bedrijfsadres heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Niet is gesteld of gebleken dat appellant op het bedrijventerrein zelf alsnog adequate pogingen heeft ondernomen om de locatie van het bedrijf te vinden, bijvoorbeeld door op een plattegrond ter plaatse te kijken of bij andere bedrijven informatie over de betreffende locatie te verkrijgen. Appellant heeft voorts niet tijdens zijn zoektocht met de gemeente telefonisch contact opgenomen om duidelijkheid te verkrijgen dan wel om zijn situatie uit te leggen. Dat appellant nadien met de gemeente contact zou hebben opgenomen en zich bereid heeft verklaard om alsnog een uitnodiging voor een bedrijfspresentatie te krijgen of zich separaat te melden bij het bedrijf blijkt niet uit de gedingstukken, zodat de Raad daaraan voorbij gaat.

4.6.

Hieruit volgt dat van de appellant verweten gedraging niet gezegd kan worden dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De commissie was daarom gehouden de bijstand te verlagen. Niet gebleken is van dringende redenen op grond waarvan de commissie van het opleggen van een maatregel had moeten afzien. Gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin appellant verkeert bestond ook geen aanleiding voor een lagere maatregel dan 50% gedurende één maand. Daarbij is in aanmerking genomen dat er ook geen aanleiding is voor verminderde verwijtbaarheid aangezien andere deelnemers aan de bedrijfspresentatie er wel in zijn geslaagd het bedrijfsgebouw tijdig te vinden.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

4.8.

Gelet op 4.7 is voor een veroordeling tot schadevergoeding geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2015.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD