Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2534

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
14/1481 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Dringende reden voor ontslag. Appellante heeft haar werkgeefster in het ongewisse gelaten over de reden van haar afwezigheid en niet is komen vast te staan dat appellante, die gelet op de brief van haar werkgeefster van 26 januari 2012 bekend was met de wijze waarop zij zich moest melden bij ziekte tijdens vakantie, een deugdelijke grond had om vanaf 20 augustus 2012 niet op haar werk te verschijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1481 WW

Datum uitspraak: 22 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

5 februari 2014, 13/3648 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft op verzoek van de Raad een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2015. Namens appellante is verschenen mr. Van Heijningen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Z. Sayban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is vanaf 10 maart 2003 werkzaam geweest als thuishulp in dienst van

(de rechtsvoorganger van) [de besloten vennootschap] (werkgeefster). Bij brief van 27 juni 2012 heeft de werkgeefster appellante naar aanleiding van een daarop gerichte aanvraag meegedeeld dat het niet is toegestaan om in het hoogseizoen vijf weken vakantie op te nemen. Op 6 juli 2012 heeft appellante telefonisch overleg gehad met haar werkgeefster over haar vakantieaanvraag en toestemming gekregen voor een vakantie van drie weken van 30 juli 2012 tot en met 19 augustus 2012.

1.2.

Op 20 augustus 2012 is appellante niet verschenen op haar werk. Bij brief van dezelfde datum heeft de werkgeefster appellante gesommeerd om direct contact op te nemen met haar servicemanager. Appellante heeft dat niet gedaan. Bij brief van 22 augustus 2012 heeft de werkgeefster appellante meegedeeld dat haar salaris met ingang van 20 augustus 2012 is opgeschort. Met het oog op haar werkhervatting is appellante tevens opgeroepen voor een gesprek op donderdag 23 augustus 2012. Appellante is er daarbij op gewezen dat het niet verschijnen op dat gesprek verdergaande arbeidsrechtelijke consequenties kan hebben. Appellante is niet verschenen op dat gesprek. Bij brief van 24 augustus 2012 heeft de werkgeefster het gedrag van appellante gekwalificeerd als werkweigering en haar verzocht vóór 29 augustus 2012 contact op te nemen met de werkgeefster. Daarbij is vermeld dat indien appellante niet voor die datum contact opneemt stappen zullen worden gezet om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Appellante heeft geen contact opgenomen met haar werkgeefster. Bij brief van 29 augustus 2012 heeft de werkgeefster appellante op staande voet ontslagen wegens werkweigering. Appellante heeft dit ontslag aangevochten bij de kantonrechter. Op 20 november 2012 heeft de kantonrechter in kort geding de loonvordering van appellante afgewezen.

1.3.

Op 10 december 2012 heeft appellante een uitkering aangevraagd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 12 december 2012 heeft het Uwv geweigerd om appellante een voorschot op de WW-uitkering te verstrekken.

1.4.

Bij besluit van 31 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Volgens het Uwv ligt aan de werkloosheid van appellante een dringende reden ten grondslag in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en kan appellante ter zake een verwijt worden gemaakt. Daarom is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 december 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij zich op 9 augustus 2012 vanuit Marokko ziek heeft gemeld bij haar werkgeefster door het faxen van een verklaring van een Marokkaanse arts en dat zij zich daarnaast bij terugkomst in Nederland heeft gemeld bij haar huisarts, die ook een medische verklaring heeft afgegeven. Appellante heeft tevens aangevoerd dat het Uwv zijn conclusie dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden uitsluitend heeft gebaseerd op het vonnis in kort geding van de kantonrechter van

20 november 2012. Volgens appellante heeft het Uwv ten onrechte geen zelfstandig onderzoek verricht naar de gang van zaken rondom het ontslag en is het bestreden besluit om die reden onzorgvuldig voorbereid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar overweging 6 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW onder meer aanwezig wordt geacht als een werknemer hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten van zijn werkgever.

4.2.

Op grond van de onder 1.1 en 1.2 vermelde feiten en omstandigheden staat vast dat appellante ondanks herhaalde verzoeken van de werkgeefster haar werkzaamheden niet heeft hervat na afloop van haar vakantie. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante voor deze werkweigering een deugdelijke grond had.

4.3.

Appellante stelt dat zij zich ziek heeft gemeld bij haar werkgeefster. Vooropgesteld wordt dat appellante zich niet voor of op 20 augustus 2012, de eerste werkdag na haar vakantie, haar leidinggevende heeft laten weten dat zij ziek was. Appellante baseert haar ziekmelding op een op 9 augustus 2012 vanuit Marokko gefaxte doktersverklaring. Appellante heeft deze doktersverklaring echter, zonder enige toelichting, verstuurd naar het faxnummer van de salarisadministratie van [A.], de rechtsvoorganger van haar werkgeefster. De fax bevat geen concrete ziekmelding en evenmin de naam van de leidinggevende aan wie de doktersverklaring zou moeten worden gegeven. De fax bevat ook geen adres waar appellante tijdens haar ziekte bereikbaar is voor haar werkgeefster. De doktersverklaring zelf bevat een gedeeltelijk leesbare naam van een arts, maar geen herleidbaar adres waar de gegevens zouden kunnen worden geverifieerd. Door deze handelwijze heeft appellante haar werkgeefster in het ongewisse gelaten over de reden van haar afwezigheid en is niet komen vast te staan dat appellante, die gelet op de brief van haar werkgeefster van 26 januari 2012 bekend was met de wijze waarop zij zich moest melden bij ziekte tijdens vakantie, een deugdelijke grond had om vanaf 20 augustus 2012 niet op haar werk te verschijnen. De door appellante in hoger beroep overgelegde verklaring van haar huisarts leidt niet tot een ander oordeel. Die verklaring bevat slechts een weergave van de doktersverklaring die appellante op 9 augustus 2012 vanuit Marokko heeft gefaxt. Met de kantonrechter in zijn vonnis van

7 oktober 2014 wordt daarom geoordeeld dat appellante zich zodanig heeft gedragen dat van haar werkgeefster redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren.

4.4.

Het tijdsverloop tussen het moment dat appellante haar werkzaamheden op 20 augustus 2012 niet hervatte en het moment dat de werkgeefster appellante op staande voet heeft ontslagen is zodanig kort en de reactie van werkgeefster zodanig voortvarend dat daaruit volgt dat de gedragingen van appellante voor de werkgeefster in de gegeven situatie ook subjectief een dringende reden voor ontslag vormden.

4.5.

De conclusie is dat aan de werkloosheid van appellante een arbeidsrechtelijke dringende reden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW ten grondslag ligt. Appellante kan ter zake een verwijt worden gemaakt. Er zijn geen aanwijzingen dat de werkloosheid appellante niet in overwegende mate kan worden verweten. Daarom was het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW gehouden om appellante de

WW-uitkering blijvend geheel te weigeren. Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd in hoger beroep bevat geen grond voor een ander oordeel.

4.6.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2015.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) B. Fotchind

AP