Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2533

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
14/840 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Weigering ziekengeld. Herbeoordeling hangende het beroep, aangepaste FML. In essentie herhaling gronden in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/840 WIA

Datum uitspraak: 22 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

31 december 2013, 13/255 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.M. Pater, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere medische stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft naar aanleiding van de nadere medische stukken een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een schriftelijke reactie overgelegd.

In antwoord op nadere vragen van de Raad heeft het Uwv een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2015 waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pater en O. Achkif als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerkster visbedrijf voor veertig uur per week. Op 23 juni 2010 heeft zij zich, aansluitend aan een periode dat zij een uitkering ontving ingevolge de Wet arbeid en zorg, arbeidsongeschikt gemeld vanwege duizeligheid, hoofdpijn, misselijkheid en flauwvallen. Appellante heeft vervolgens een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Appellante heeft op 4 maart 2012 een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.2.

Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 4 juni 2012 vastgesteld dat appellante vanaf 20 juni 2012 geen Wet WIA-uitkering kan krijgen, omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% is.

1.3.

Appellante heeft zich op 14 augustus 2012, vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, opnieuw ziek gemeld. In overeenstemming met de bevindingen van een verzekeringsarts, vastgelegd in een rapport van 2 oktober 2012, die appellante geschikt acht voor de haar in het kader van de Wet WIA-beoordeling voorgehouden functies, heeft het Uwv bij besluit van 2 oktober 2012 appellante met ingang van 14 augustus 2012 uitkering ingevolge de ZW geweigerd.

1.4.

Bij besluit van 30 november 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 20 juni 2012 en 2 oktober 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv rapporten ten grondslag gelegd van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 en 29 november 2012 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 november 2012.

1.5.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft een herbeoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep plaatsgevonden, die appellante meer beperkt heeft geacht en in de aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 maart 2013 aanvullende beperkingen heeft opgenomen. Naar aanleiding van de gewijzigde FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het CBBS opnieuw geraadpleegd en op basis van drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 20 juni 2012 berekend op 11,75%.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het betreft de handhaving van de weigering om aan appellante een Wet WIA-uitkering te verstrekken en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd geheel in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.

2.2.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep

E.H. The-van Leeuwen appellante meer beperkt heeft geacht en in de aangepaste FML van

28 maart 2013 aanvullende beperkingen heeft opgenomen voor solistisch werken, vervoer en werken in een lawaaierige omgeving. Nu deze beperkingen niet waren opgenomen in de FML die ten grondslag is gelegd aan de in bezwaar gehandhaafde weigering van een

Wet WIA-uitkering, vertoont het bestreden besluit in zoverre een gebrek waar het de medische grondslag betreft. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt voor zover het betreft het deel dat betrekking heeft op de weigering van de Wet WIA-uitkering. De rechtbank heeft aanleiding gezien om te beoordelen of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover vernietigd, in stand kunnen worden gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarbij de in beroep aangepaste FML als uitgangspunt is genomen, niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten en/of niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapportages aangegeven beoordeling onjuist is. Appellante heeft haar stelling dat zij op de datum in geding meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen niet onderbouwd met medische gegevens.

2.3.

Betreffende de arbeidskundige onderbouwing heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn nadere rapport van 15 april 2013, opgesteld na de aanpassing van de FML hangende beroep, over de geduide functies en de daarbij naar voren gekomen signaleringen gemotiveerd heeft toegelicht waarom deze functies passend zijn voor appellante. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv met deze toelichting toereikend gemotiveerd dat met de geduide functies de belastbaarheid van appellante zoals omschreven in de FML van 28 maart 2013, niet wordt overschreden. Nu met deze functies een loonverlies van 11,75% wordt gerealiseerd heeft het Uwv terecht geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering.

2.4.

Over de weigering van de ZW-uitkering per 14 augustus 2012 heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten worden gezien voor het oordeel dat de rapporten van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep van respectievelijk 22 en 29 november 2012 en 28 maart 2013 niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de daarin gegeven beoordeling onjuist is. De door appellante in beroep overgelegde medische verklaringen geven geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante per 14 augustus 2012 in staat was één van de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. Van de geschiktheid van deze functies moet in het kader van de onderhavige

ZW-beoordeling worden uitgegaan.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij zich wel kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het beroep gegrond is, maar niet met de beslissing om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten. Daartoe heeft zij (samengevat) aangevoerd dat zij door haar duizeligheid en (de onvoorspelbaarheid van het) flauwvallen, veroorzaakt door zogenoemde psychogenic non epileptic seizures (PNES), niet in staat is de werkzaamheden in de voor haar geselecteerde functies uit te voeren en dat haar belastbaarheid in de geduide functies wordt overschreden. Ter onderbouwing van haar standpunten heeft zij nadere medische stukken overgelegd, te weten een brief van de huisarts van 26 februari 2014, een brief van i-PSY van 16 december 2014, het huisartsjournaal van de periode 2 april 2014 tot en met 26 januari 2015 en een medicatiepaspoort met afgiftedatum

30 januari 2015.

3.2.

In verweer heeft het Uwv verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en heeft het Uwv nadere rapporten overgelegd van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

31 maart 2014 en 26 januari 2015.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar hetgeen in de overwegingen

6 en 18 van de aangevallen uitspraak is vermeld.

4.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over de medische beoordeling van haar klachten en de aan de hand daarvan vastgestelde beperkingen voor het verrichten van arbeid is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft gesteld. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 28 maart 2013 aangenomen beperkingen. De door appellante in hoger beroep overgelegde medische gegevens bevatten geen informatie waaruit conclusies kunnen worden getrokken over de (on)geschiktheid voor arbeid van appellante op de data in geding.

4.3.

Uitgaande van de FML van 28 maart 2013 zijn door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, in zijn rapport van 15 april 2013 de in de geselecteerde functies voorkomende signaleringen toegelicht en gemotiveerd dat met deze functies de belastbaarheid van appellante niet wordt overschreden. Appellante heeft in hoger beroep geen arbeidskundige gronden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de arbeidskundige onderbouwing door het Uwv.

4.4.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd te worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en J.J.T. van den Corput en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2015.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) K. de Jong

AP