Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2532

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
14/146 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Geen recht (meer) op ziekengeld: geschikt voor de maatgevende arbeid. Zorgvuldig medisch onderzoek in twee zaken. Geen sprake van een toename van de medische beperkingen. Geen medische indicatie voor werkbegeleiding. Geschiktheid functies. Opleidingsniveau is terecht bepaald op 2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/146 WIA, 14/4718 ZW

Datum uitspraak: 22 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 27 november 2013, 13/2523 (aangevallen uitspraak 1) en 3 juli 2014, 14/137 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. U. Ugur, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1.

Mr. K. Aslan, advocaat, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

Bij brief van 24 januari 2014 heeft mr. L. Leenders, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van mr. Ugur gesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 10 juni 2015. Appellante is verschenen, in beide zaken bijgestaan door mr. Aslan, kantoorgenoot van

mr. Leenders, en M. Cordes als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als productiemedewerker voor 35,77 uur per week toen zij op 3 maart 2010 uitviel vanwege klachten aan haar rechterschouder. Het dienstverband is op

16 augustus 2010 van rechtswege geëindigd. Aan appellante is een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Nadien hebben zich ook psychische klachten ontwikkeld. In verband met het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van

17 oktober 2012 vastgesteld dat appellante met ingang van 11 april 2012 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 oktober 2012. Naar aanleiding van dat bezwaar is appellante onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts heeft de eerder opgemaakte Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast. Naar aanleiding van de gewijzigde FML van 28 maart 2013 heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep enkele functies niet langer passend geacht en laten vervallen. Op basis van een nieuwe schatting heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat appellante onveranderd voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is.Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 3 april 2013 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

1.3.

Op 8 juli 2013 heeft appellante zich vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet ontving ziek gemeld wegens toegenomen psychische klachten. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv op 10 september 2013 beslist dat appellante met ingang van 18 september 2013 geen recht (meer) heeft op ziekengeld, omdat zij die per datum geschikt is voor de maatgevende arbeid, zijnde de in het kader van de

Wet WIA-beoordeling geduide functies.

1.4.

Bij besluit van 3 december 2013 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 september 2013, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 november 2013, ongegrond verklaard.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.1.1.

Wat betreft de verzekeringsgeneeskundige grondslag van bestreden besluit 1 heeft de rechtbank, samengevat, geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de medische beoordeling volledig en inzichtelijk is gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle beschikbare medische informatie, waaronder de informatie van de (voormalig) behandelend psychiaters en de in beroep overgelegde rapporten van de bedrijfsarts en de psycholoog, die in het kader van appellantes aanvraag ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) zijn opgemaakt, bij de beoordeling betrokken. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevat geen inconsistenties en is concludent. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de juistheid van die medische beoordeling in twijfel te trekken. Met verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, onder meer de uitspraak van 10 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6889, volgt de rechtbank ook de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een beoordeling in het kader van de WSW een ander doel heeft en gebaseerd is op een ander wettelijk kader met andere criteria dan de onderhavige Wet WIA-beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende toegelicht dat de bevindingen van de bedrijfsarts geen inzicht bieden in de objectiveerbare directe gevolgen van ziekte of gebrek en dat de door de bedrijfsarts vermelde beperkingen lijken te zijn gebaseerd op de door appellante ervaren en geuite klachten en daarmee subjectief lijken te zijn bepaald. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de standpunten van de bedrijfsarts en de psycholoog niet leiden tot de conclusie dat de artsen van het Uwv de medische beperkingen van appellante hebben onderschat.

2.1.2.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 4 oktober 2013 afdoende heeft gemotiveerd dat de in beroep overgelegde informatie van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige (spv-er) niet kan leiden tot een verdergaande beperking, omdat uit die informatie niet blijkt dat intensieve begeleiding medisch is geïndiceerd. Nu appellante geen andere medische informatie heeft overgelegd die een objectivering van de gestelde verdergaande beperkingen bevat, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de fysieke en/of psychische beperkingen van appellante zijn onderschat.

2.1.3.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 heeft de rechtbank geoordeeld dat met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, in samenhang bezien met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, de conclusie kan worden getrokken dat de voorgehouden functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bevestigd dat met het medicatiegebruik van appellante rekening is gehouden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat het hanteren van een soldeerbout in de functie van productiemedewerker industrie geen overschrijding oplevert en de functie geschikt is te achten. De rechtbank heeft verder geconstateerd dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep per functie gemotiveerd heeft toegelicht dat appellante aan het gevraagde functieniveau voldoet en dat ter zitting nog nader is toegelicht dat appellante ervaring heeft op de arbeidsmarkt, zodat er geen aanleiding is om te oordelen dat de geduide functies vanwege het opleidingsniveau niet aan appellante voorgehouden mochten worden.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

2.2.1.

De rechtbank heeft, samengevat, in wat appellante in beroep heeft aangevoerd geen grond gezien voor het oordeel dat de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep tegenstrijdigheden bevatten dan wel op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eigen onderzoek verricht en kennis genomen van alle beschikbare medische informatie, waaronder de informatie van psycholoog K. Inci (Inci). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn beoordeling op inzichtelijke wijze gemotiveerd en in zijn rapporten van 29 november 2013 en 6 maart 2014 voldoende onderbouwd waarom de door psycholoog Inci gestelde diagnose niet leidt tot het aannemen van meer beperkingen op de datum in geding. Wat betreft de stelling van appellante dat sprake is van toegenomen vermoeidheidsklachten en dat op basis daarvan een urenbeperking dient te worden aangenomen overweegt de rechtbank dat de informatie van de huisarts van 13 mei 2014, inhoudende dat bij appellante sprake is van een tekort aan ijzer en vitamine D en dat de vermoeidheid de laatste tijd is toegenomen, niet ziet op de datum in geding.

3.1.

In het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 heeft appellante de door haar in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden gehandhaafd. Samengevat benadrukt appellante dat de artsen van het Uwv haar lichamelijke en psychische beperkingen hebben onderschat. Ter onderbouwing daarvan verwijst appellante naar de in beroep overgelegde rapporten van de bedrijfsarts en de psycholoog die in het kader van haar WSW-aanvraag zijn opgemaakt, en naar de door haar in hoger beroep overgelegde informatie van psycholoog Inci van 25 oktober 2013. Appellante is verder van mening dat de beoordeling in beroep onzorgvuldig is geweest nu de rechtbank alleen de informatie van de behandelend spv-er in aanmerking heeft genomen, terwijl ook uit het rapport van de in het kader van de

WSW-aanvraag ingeschakelde psycholoog blijkt dat zij is aangewezen op werkbegeleiding en ondersteuning. Verder blijft appellante van mening dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij zijn beoordeling opleidingsniveau 1 had moeten hanteren in plaats van 2. Tot slot heeft appellante naar voren gebracht dat zij vanwege medicatiegebruik geen activiteiten mag verrichten die een persoonlijk risico kunnen opleveren, zoals het werken met een soldeerbout. Gelet op de bijwerkingen die zich kunnen voordoen bij het gebruik van Tramacet is duidelijk dat zij niet over de alertheid kan beschikken om met een soldeerbout te werken. Het Uwv had de functie waarbij zij met een soldeerbout moet werken niet mogen selecteren.

3.2.

In het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellante evenals in beroep benadrukt dat sprake is van toegenomen beperkingen, zowel op psychisch als op fysiek vlak. Voor de onderbouwing dat haar psychische klachten zijn verergerd en niet te vergelijken zijn met de situatie ten tijde van de WIA-beoordeling, verwijst appellante naar de in bezwaar overgelegde informatie van psycholoog Inci van 25 oktober 2013. Deze heeft een andere diagnose gesteld dan haar vorige behandelaar, psychiater F. Kaya (Kaya). Appellante betwist dat de psycholoog van hetzelfde feitencomplex is uitgegaan als Kaya. Op 8 juli 2013 heeft zich een nieuwe gebeurtenis voorgedaan waarop de diagnose van psycholoog Inci is gebaseerd. Voor de opvatting dat de toegenomen psychische klachten tot meer beperkingen hebben geleid, verwijst appellante naar de verzekeringsgeneeskundige protocollen Depressieve stoornis en Angststoornissen. Voor de onderbouwing dat haar fysieke beperkingen zijn toegenomen verwijst appellante naar de in beroep overgelegde brief van de huisarts van 13 mei 2014. Daaruit blijkt dat appellante al langer bekend is met een tekort aan ijzer en vitamine D en dat dit tot vermoeidheid leidt. Op grond van de vermoeidheidsklachten had een urenbeperking aangenomen moeten worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken met juistheid geoordeeld dat de verzekeringsartsen bezwaar en beroep in zowel de Wet WIA-zaak als de ZW-zaak een zorgvuldig medisch onderzoek hebben verricht. Op een verantwoorde en inzichtelijke wijze hebben de artsen (en in de WIA-zaak de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep) geconcludeerd dat appellante op de datum 11 april 2012 in staat was om met haar beperkingen de geduide functies te verrichten en dat op de datum 18 september 2013 geen sprake was van een toename van de medische beperkingen ten opzichte van de beperkingen zoals vastgesteld in de FML van 28 maart 2013. De Raad stelt zich dan ook achter de overwegingen van de rechtbank in beide aangevallen uitspraken en maakt deze tot de zijne. In wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Wat betreft de door appellante overgelegde medische informatie van psycholoog Inci van 25 oktober 2013, die overigens, anders dan appellante ter zitting heeft betoogd, niet ziet op de datum in geding 11 april 2012, onderschrijft de Raad wat de verzekeringsartsen bezwaar en beroep in hun rapporten van 29 november 2013, 6 maart 2014 en 23 mei 2014 hebben gesteld. De verzekeringsartsen hebben voldoende gemotiveerd dat de informatie van psycholoog Inci geen aanleiding geeft om het ingenomen standpunt, met betrekking tot de belastbaarheid van appellante per 11 april 2012 en 18 september 2013, te herzien. Met betrekking tot het in de ZW-zaak gedane beroep op het verzekeringsgeneeskundige protocol Depressieve stoornis wordt volstaan met verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitpraak van 17 maart 2010 ECLI:NL:CRVB:2010:BL7992) dat dit protocol niet van toepassing is bij een ZW-beoordeling.

4.2.

Verder zijn er geen aanknopingspunten om appellante te volgen in haar standpunt dat zij is aangewezen op begeleiding tijdens het werk. In hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat intensieve werkbegeleiding medisch noodzakelijk is. De onderzoeksbevindingen van de psycholoog, die appellante in het kader van de WSW-aanvraag heeft onderzocht, duiden niet op een zodanige psychiatrische problematiek dat werkbegeleiding medisch geïndiceerd is. De Raad volgt appellante evenmin in haar standpunt dat onvoldoende rekening is gehouden met haar medicijngebruik. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft blijkens zijn rapport van 13 maart 2013 in verband met het gebruik van Tramacet appellante beperkt geacht voor wat betreft het werken achter gevaarlijke machines en op grote hoogte, alsmede wat betreft het beroepsmatig autorijden. Dat bij appellante sprake is van een tekort aan ijzer en vitamine D was bij het Uwv bekend. De informatie van de huisarts van 13 mei 2014 leidt niet tot een ander oordeel. Deze informatie heeft immers geen betrekking op de data in geding. Appellante kan dan ook niet gevolgd worden in haar stelling dat vanwege (toegenomen) vermoeidheidklachten een urenbeperking aan de orde zou zijn.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde FML is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. De signaleringen waaruit blijkt dat er een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid is, zijn door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep besproken. In zijn rapport van 2 april 2013 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep tevens voldoende gemotiveerd dat er geen reden is om aan te nemen dat appellante door medicijngebruik niet in staat is de functie van productiemedewerker industrie te verrichten. De FML bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellante niet over de alertheid beschikt om met een soldeerbout te werken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft verder opgemerkt dat de werkzaamheden zittend worden verricht aan een werkbank en niet op grote hoogte. De Raad verwijst in dit verband nog naar de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 mei 2014 waaruit blijkt dat bij de beoordeling van de geschiktheid om met een soldeerbout te werken overleg tussen de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft plaatsgevonden en waarbij tevens de door appellante gebruikte medicatie in de beoordeling is betrokken.

4.4.

Wat betreft het standpunt van appellante dat haar opleidingsniveau ten onrechte is bepaald op 2 en de voorgehouden functies in dat opzicht niet passend zijn, geldt het volgende. De Raad heeft meermalen, waaronder in de uitspraak van 21 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:630, geoordeeld dat opleidingsniveau 2 veronderstelt dat appellante basisonderwijs heeft voltooid, dan wel daarmee op één lijn te stellen werkervaring heeft opgebouwd waarbij niet relevant is of het onderwijs in Nederland of het buitenland is gevolgd. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige van 16 oktober 2012 blijkt dat appellante in Turkije het lager onderwijs heeft doorlopen, wat ter zitting door appellante is bevestigd. Ter zitting heeft appellante eveneens te kennen gegeven dat zij na het basisonderwijs ook nog één jaar middenschool heeft gevolgd in Turkije. Het opleidingsniveau van appellante is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het kader van de herbeoordeling terecht bepaald op 2.

4.5.

De hoger beroepen van appellante treffen, gelet op wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, geen doel. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd. Het verzoek van appellante om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en J.J.T. van den Corput en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2015.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) K. de Jong

AP