Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2530

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
13/1206 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn maatgevend werk. Geen psychiatrische stoornis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1206 ZW

Datum uitspraak: 15 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 februari 2013, 12/1165 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2014. Namens appellant is mr. Heek verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

Het onderzoek is heropend na de zitting. Op 6 maart 2015 heeft appellant een rapport van psychiater J. Huisman ingezonden. Het Uwv heeft een reactie ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft zich op 26 april 2011 in verband met achillespeesklachten ziek gemeld voor zijn arbeid als financieel administrateur voor 40 uur per week. Met ingang van 21 maart 2012 is het dienstverband beëindigd. Het Uwv heeft aan appellant aansluitend een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Bij besluit van 12 april 2012 heeft het Uwv de aan appellant toegekende

ZW-uitkering met ingang van 19 april 2012 beëindigd op de grond dat appellant weer geschikt is voor zijn maatgevende werk.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 28 juni 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het tot de specifieke deskundigheid van de verzekeringsartsen van het Uwv behoort om de medische gegevens te wegen en te vertalen in medische beperkingen bij het verrichten van arbeid en dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Voor het oordeel dat de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv onzorgvuldig is voorbereid of ondeugdelijk gemotiveerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de door appellant in beroep ingebrachte informatie van de huisarts

R. Willemsen van 2 augustus 2012 en van psycholoog Nibbeling van 5 augustus 2012 niet kan worden afgeleid dat appellant op 19 april 2012 meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. Het feit dat het Uwv aan appellant met ingang van 24 mei 2012 opnieuw een ZW-uitkering heeft toegekend (in verband met een operatie) doet daar volgens de rechtbank niet aan af.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar hetgeen hij reeds in beroep heeft aangevoerd, gesteld dat de vraag of al dan niet sprake is van psychische klachten behoort tot het specifieke terrein van de psychiatrie. Appellant blijft van mening dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een depressie. De rechtbank heeft volgens appellant ten onrechte afgezien van de benoeming van een medisch deskundige. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een rapport van psychiater Huisman van

16 februari 2015 overgelegd. Daarnaast heeft appellant verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens geestelijk leed als gevolg van krenking door het Uwv. Het Uwv heeft de ernst van de symptomatologie onderschat en er moet volgens appellant doorslaggevende betekenis worden toegekend aan het rapport van Huisman.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. In het rapport van

16 maart 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat het rapport van Huisman geen aanleiding geeft om het standpunt van het Uwv te wijzigen, omdat Huisman de diagnose bevestigt die tijdens de bezwaarprocedure naar voren is gekomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 5 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

De hersteldmelding is gebaseerd op een onderzoek op 12 april 2012 door een verzekeringsarts en een onderzoek op 22 mei 2012 door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit de rapporten van deze onderzoeken blijkt dat er geen sprake is van een gestoord bewegingspatroon en dat de achillespeesklachten van appellant geen beperkingen voor zijn maatgevende arbeid opleveren. Daarnaast zijn er volgens de verzekeringsarts geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. De stemming is volgens de verzekeringsarts verlaagd, maar niet depressief, ook weet appellant volgens de verzekeringsarts de aandacht goed te richten, zonder tekenen van een tekortschietend geheugen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt tot de conclusie dat er geen sprake is van een actuele depressie en dat er geen basis is vanuit ziekte voor cognitieve beperkingen terwijl er in de maatgevende arbeid geen sprake is van veelvuldige deadlines en piekbelasting. Naar aanleiding van informatie van de huisarts en van psycholoog Nibbeling heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van 10 december 2012 gemotiveerd dat de huisarts bevestigt dat het gaat om een aanpassingsproblematiek en om stemmingsproblemen. Ook al zou sprake zijn van een depressieve stoornis dan zou dat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet meteen leiden tot ongeschiktheid voor arbeid; dit hangt vooral af van de symptomatologie. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv komt naar voren dat de psychische belastbaarheid ten tijde in geding is vastgesteld aan de hand van uitgebreid anamnestische gegevens in combinatie met psychisch onderzoek. Evenals de rechtbank heeft geoordeeld zijn er dan ook geen aanknopingspunten dat de medische beoordeling van het Uwv onzorgvuldig of onvolledig tot stand is gekomen.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep een expertise van psychiater Huisman overgelegd. De vraag is of dit medische rapport doet twijfelen aan het standpunt van het Uwv dat appellant met ingang van 19 april 2012 in staat was om zijn maatgevende arbeid te verrichten en vanaf die datum geen recht meer had op een ZW-uitkering.

4.4.

Volgens Huisman is sprake van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming, zonder aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis, gegeven na een status na achillespeesblessure waarvoor operaties zijn verricht, en de ziekte van Scheuermann. De inschatting van Huisman is dat appellant op de datum in geding aanzienlijk meer symptomen heeft gehad van de aanpassingsstoornis met depressieve stemming, gelet op de correspondentie vanuit de hulpverlening en de mededelingen door appellant zelf. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 16 maart 2015 gemotiveerd dat de diagnose van Huisman overeenkomt met de bevindingen van de verzekeringsartsen in overweging 4.2. Daarnaast blijkt uit de medische informatie genoemd in het rapport van Huisman dat psycholoog M. Notemans rond de datum in geding geen aanwijzingen zag voor een psychiatrische stoornis. Niet in geschil is dat sprake was van voor appellant belastende omstandigheden, maar de symptomatologie biedt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende basis voor de door Huisman geduide beperkingen. Het behoort tot de specifieke deskundigheid van de verzekeringsartsen van het Uwv om op basis van medisch objectiveerbare klachten de beperkingen van appellant ter zake van het verrichten van arbeid vast te stellen. Het rapport van Huisman biedt, gelet op de gemotiveerde reactie van het Uwv, onvoldoende aanknopingspunten om het standpunt van het Uwv in twijfel te trekken.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (zoals deze bepaling gold ten tijde van de beslissing op bezwaar) dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter, in tegenwoordigheid van

J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) J.R. van Ravenstein

AP