Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2508

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
14/2075 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien niet kan worden vast gesteld of betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Appellant is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Maatregel, verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2075 WWB

Datum uitspraak: 21 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 februari 2014, 13/3329 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. el Ahmadi hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. El Ahmadi. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 2 augustus 2011 samen met zijn echtgenote (aanvullende) bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip heeft het team Risk en Handhaving van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant toegekende bijstand. Blijkens informatie van de Dienst Wegverkeer (RDW) stond vanaf 19 januari 2011 een auto met kenteken [kenteken 1] op naam van appellant geregistreerd. Daarnaast heeft hij kentekens van vier auto’s op zijn naam gehad, [kenteken 2] van 9 november 2011 tot en met 22 november 2011, [kenteken 3] van 7 december 2011 tot en met 22 mei 2012, [kenteken 4] van 16 juli 2012 tot en met 23 juli 2012, en [kenteken 5] van 12 september 2012 tot en met november 2012. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 december 2012.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

19 december 2012 de bijstand over november 2011, mei 2012, juli 2012 en november 2012 in te trekken en de over deze maanden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.652,31 van appellant en zijn echtgenote terug te vorderen.

1.4.

Bij afzonderlijk besluit van 19 december 2012 heeft het college de bijstand van appellant en zijn echtgenote bij wijze van maatregel met ingang van 1 januari 2013 met 100% verlaagd voor de duur van twee maanden.

1.5.

Bij besluit van 5 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college de tegen de besluiten van 19 december 2012 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat in de 1.3 genoemde maanden, naast de auto met kenteken [kenteken 1] , vier kentekens van auto’s gedurende korte tijdvakken op naam van appellant stonden. Twee daarvan zijn geëxporteerd. Appellant heeft het autobezit en de transacties niet bij het college gemeld, waardoor hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant heeft geen verifieerbare gegevens overgelegd met betrekking tot de aan- en verkoop van de auto’s, en heeft evenmin stukken met betrekking tot de waarde of opbrengsten van de auto’s overgelegd. Het recht op bijstand is daarom niet vast te stellen. De bijstand wordt op grond van de Verordening maatregelen Inkomensvoorzieningen Utrecht 2012 (hierna: Verordening) voor de duur van twee maanden met 100% verlaagd, omdat sprake is van een derde verwijtbare gedraging binnen twaalf maanden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking bijstand

4.1.

Niet in geschil is dat vanaf 19 januari 2011 een auto met kenteken [kenteken 1] op naam van appellant geregistreerd stond. Evenmin is in geschil dat daarnaast vier autokentekens gedurende korte tijd op zijn naam geregistreerd hebben gestaan en dat appellant deze vier auto’s heeft verkocht. De registratie van deze voertuigen is in de in het bestreden besluit genoemde maanden geëindigd. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:CRVB:2009:BK8306) is onder deze omstandigheden sprake van transacties met betrekking tot de auto’s. Daarmee wordt bedoeld dat appellant inkomsten in verband met de overdracht van de auto's heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven. De datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, is de datum waarop de desbetreffende transactie heeft plaatsvonden.

4.2.

.2. Appellant heeft van het autobezit en de transacties, die onmiskenbaar van belang zijn voor de verlening van bijstand, geen melding gemaakt bij het college. Daarmee heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellant heeft gesteld dat hij daarvan geen melding had hoeven te maken omdat de auto’s als vermogen moeten worden gezien. De auto’s waren oud en hadden niet een zodanige waarde dat de voor hem geldende vermogensgrens werd overschreden. Deze stelling houdt geen stand. Afgezien van het feit dat met de transacties sprake is van op geld waardeerbare activiteiten en het mogelijk verwerven van inkomsten, zou ook in dat geval sprake zijn van een omstandigheid waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kan zijn op het recht op bijstand en had appellant daarvan melding moeten maken aan het college. Daarna is het aan het college om te beoordelen of het autobezit en de transacties daadwerkelijk gevolgen hebben voor het recht op bijstand.

4.3.

.3. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.4.

Appellant is hierin niet geslaagd. Hij heeft geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd met betrekking tot de autotransacties. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of, en zo ja in welke omvang, appellant en zijn echtgenote in de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden recht op (aanvullende) bijstand zouden hebben gehad. De stelling van appellant dat het college de waarde van de auto’s had kunnen vaststellen, slaagt dan ook niet.

Maatregel

4.5.

Gelet op 4.2. staat vast dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door het college niet in te lichten over het autobezit en de transacties. Wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, kan niet leiden tot het oordeel dat bij appellant elke vorm van verwijtbaarheid ten aanzien van deze gedraging ontbreekt. Het betoog dat hij zich niet heeft gerealiseerd dat hij het college had moeten informeren omdat de auto’s van geringe waarde waren en de waarde ervan beneden de geldende vermogensgrens lag, baat appellant niet. Door zijn inlichtingenverplichting niet na te komen, heeft appellant het college de mogelijkheid ontnomen om niet alleen een onderzoek te verrichten naar de waarde van de auto’s, maar ook naar de activiteiten en transacties met betrekking tot die auto’s, en vervolgens te beoordelen of deze van invloed zijn op het recht op bijstand.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant overeenkomstig de Verordening te verlagen. Tegen de hoogte van de opgelegde verlaging heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

HD