Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
14/3816 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet tijdig gehoor geven aan uitnodigingen voor een gesprek. Onderschreven wordt het oordeel van de rechtbank dat in dit specifieke geval aan betrokkene niet kan worden tegengeworpen dat zij niet tijdig gehoor heeft gegeven aan de uitnodigingen voor een gesprek op een kantoor van de DWI. De Raad acht in dit verband van betekenis dat, zoals blijkt uit de stukken, aan betrokkene tijdens de zogeheten zoekperiode desgevraagd is meegedeeld dat zij van tijdelijke afwezigheid geen melding behoefde te maken bij de DWI en dat haar niet kenbaar is gemaakt dat dit in de aanvraagfase anders lag. Daarbij komt dat zij op grond van de contacten die zij kort voor de eerste uitnodiging nog telefonisch en per e-mail met de medewerkers van de DWI heeft gehad ook geen dringende post, op straffe van afwijzing van de aanvraag, had hoeven te verwachten. Dit klemt temeer nu beide uitnodigingen kort voor het weekend in haar brievenbus bij de deur van het flatgebouw zijn gedeponeerd en op maandag doorgaans geen post wordt bezorgd. Het enkele feit dat blijkbaar onder aan het aanvraagformulier staat vermeld dat alles wat van belang is voor het recht op bijstand terstond moet worden vermeld, doet aan het voorgaande niet af.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/310 met annotatie van H.W.M. Nacinovic

Uitspraak

14/3816 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 juni 2014, 13/6045 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. R.A. van Heijningen, advocaat.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene, geboren [in] 1986, ontving tot en met 31 mei 2013 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Op 29 mei 2013 heeft zij zich aangemeld voor bijstand en na een opgelegde zoekperiode heeft zij op 9 juli 2013 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij brief van 9 juli 2013 heeft appellant aan betrokkene een zogeheten plan van aanpak gezonden met als doel een eigen inkomen te verkrijgen door uitstroom naar scholing. Daartoe diende betrokkene zich in te schrijven voor de opleiding MBO SJD nivo 4 en ter overbrugging tot de start van de opleiding actief naar werk te zoeken. Ter ondersteuning voert de klantmanager geregeld voortgangsgesprekken met betrokkene. Daarnaast zijn aan betrokkene verplichtingen opgelegd die zien op de nakoming van het plan van aanpak en de scholingsplicht. Op 22 juli 2013 heeft betrokkene telefonisch contact gehad met de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) om te informeren naar de (betaalbaarstelling van de) bijstand. Zij is daarover teruggebeld met de mededeling dat op het informatiescherm was te zien dat zij nog enkele stukken moest overleggen en dat als dat gebeurd was het wel goed zou komen. Op 23 juli 2013 heeft betrokkene nog een e-mailbericht verzonden aan haar klantmanager over sollicitatieactiviteiten en scholing.

1.2.

Bij brief van 25 juli 2013 heeft een handhavingsspecialist betrokkene uitgenodigd om op vrijdag 26 juli 2013 om 10.30 uur op kantoor te verschijnen en een geldig identiteitsbewijs mee te nemen. Omdat betrokkene niet is verschenen is zij bij brief van 26 juli 2013 nogmaals uitgenodigd en wel om op dinsdag 30 juli 2013 om 09.00 uur te verschijnen. Ook toen is betrokkene niet verschenen. Appellant heeft daarin aanleiding gevonden de aanvraag van betrokkene bij besluit van 31 juli 2013 af te wijzen. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt en op 6 augustus 2013 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van

4 september 2013 heeft appellant aan betrokkene bijstand toegekend over de periode van

6 tot en met 31 augustus 2013. Vanaf 1 september 2013 is aan betrokkene studiefinanciering ingevolge de Wet op de studiefinanciering 2000 verleend.

1.3.

Bij besluit van 9 september 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 31 juli 2013 ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant geoordeeld dat het feit dat betrokkene, omdat zij logeerde bij een vriendin, de voor haar bestemde post niet tijdig heeft gezien voor haar rekening en risico moet worden gelaten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 31 juli 2013 herroepen en bepaald dat betrokkene recht heeft op bijstand van 9 juli 2013 tot

6 augustus 2013 (de datum met ingang waarvan later bijstand is toegekend). Daarbij heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, omdat geen acht is geslagen op een op 22 juli 2013 gedane mededeling van een medewerker van de DWI aan betrokkene, inhoudende dat zij op 28 juli 2013 de uitbetaling van haar bijstand kon verwachten. Daarom hoefde betrokkene er ook niet meer op bedacht te zijn dat zij kort daarna nog weer uitnodigingsbrieven zou ontvangen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat betrokkene twee maal is uitgenodigd voor een gesprek op kantoor maar zonder bericht niet is verschenen, dat de brieven persoonlijk bij haar in de brievenbus zijn gedeponeerd, dat tijdige en correcte verwerking van de post tot de eigen verantwoordelijkheid behoort en dat het feit dat betrokkene door een medewerker van de DWI te verstaan zou zijn gegeven dat alles (met betrekking tot haar aanvraag om bijstand) in orde was daaraan niet afdoet.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Onderschreven wordt het oordeel van de rechtbank dat in dit specifieke geval aan betrokkene niet kan worden tegengeworpen dat zij niet tijdig gehoor heeft gegeven aan de uitnodigingen voor een gesprek op een kantoor van de DWI. De Raad acht in dit verband van betekenis dat, zoals blijkt uit de stukken, aan betrokkene tijdens de zogeheten zoekperiode desgevraagd is meegedeeld dat zij van tijdelijke afwezigheid geen melding behoefde te maken bij de DWI en dat haar niet kenbaar is gemaakt dat dit in de aanvraagfase anders lag. Daarbij komt dat zij op grond van de contacten die zij kort voor de eerste uitnodiging nog telefonisch en per e-mail met de medewerkers van de DWI heeft gehad ook geen dringende post, op straffe van afwijzing van de aanvraag, had hoeven te verwachten. Dit klemt temeer nu beide uitnodigingen kort voor het weekend in haar brievenbus bij de deur van het flatgebouw zijn gedeponeerd en op maandag doorgaans geen post wordt bezorgd. Het enkele feit dat blijkbaar onder aan het aanvraagformulier staat vermeld dat alles wat van belang is voor het recht op bijstand terstond moet worden vermeld, doet aan het voorgaande niet af.

4.2.

Wat in 4.1 is overwogen brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 490,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep

tot een bedrag van € 490,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 493,-.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en W.E. Doolaard als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) R.G. van den Berg

HD