Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
14/2592 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderschreven wordt het oordeel van de rechtbank dat voor appellanten een toekomstig beroep op bijstand voorzienbaar was. Anders dan het college en de rechtbank, ziet de Raad onvoldoende grond om het in dit geval als smartengeld uitgekeerde bedrag van € 15.000,- naar rato toe te rekenen aan enerzijds de tot juni 2012 betaalde voorschotten van in totaal € 42.000,- en anderzijds aan de in juni 2012 betaalde slotuitkering van € 50.000,-. Dit leidt met inachtneming van wat in 4.3 tot en met 5.1 is overwogen tot een interingsberekening. Dit betekent dat het college, met inachtneming van artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 9 van de verordening, gehouden was de bijstand van appellanten over die periode te verlagen met 100%. De Raad zal derhalve zelf voorziend bepalen dat de verlaging van 100% wordt beperkt tot de periode van 18 maart 2013 tot en met 29 april 2013.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 8
Participatiewet 18
Participatiewet 19
Participatiewet 21
Participatiewet 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/316 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman

Uitspraak

14/2592 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

27 maart 2014, 13/7131 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.J.M. van Haaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Haaren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Bakkes.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is op 17 oktober 2006 betrokken geweest bij een verkeersongeval. Op 23 april 2012 zijn appellant en de schadeverzekeraar van de wederpartij (Achmea) bij het ongeval overeengekomen dat appellant aanspraak heeft op een bedrag van € 92.000,- aan geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade. Op 5 juni 2012 heeft appellant, onder aftrek van de reeds verstrekte voorschotten van € 42.000,- , een slotuitkering van Achmea ontvangen van € 50.000,-. Appellanten hebben tot 27 augustus 2012 bijstand ontvangen van de gemeente Arnhem. Appellant heeft vanaf 27 augustus 2012 in het kader van zijn re-integratie vanuit Arnhem een tijdelijk dienstverband gehad voor de periode van een half jaar bij [werkgever]. Tijdens dit dienstverband is appellant met zijn gezin verhuisd naar Elst. Het dienstverband van appellant is van rechtswege beëindigd per 27 februari 2013. Appellant ontving sindsdien een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Appellanten hebben zich op 18 maart 2013 bij het UWV Werkbedrijf gemeld om bijstand aan te vragen ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 8 april 2013 hebben zij een daartoe strekkende aanvraag ingediend bij het college.

1.2.

Bij besluit van 7 juni 2013 heeft het college appellanten met ingang van 18 maart 2013 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. Bij datzelfde besluit heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 18 maart 2013 bij wijze van maatregel verlaagd met 100% voor de duur van drie maanden en aansluitend met 50% tot 6 oktober 2013. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten onverantwoord hebben ingeteerd op hun vermogen (letselschadeuitkering) en aldus een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid hebben betoond voor de voorziening in het bestaan.

1.3.

Bij besluit van 4 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 juni 2013 gegrond verklaard voor zover het de duur van de maatregel betreft en de duur van de verlaging met 100% beperkt tot en met 7 september 2013. Aan het bestreden besluit heeft het college een gewijzigde berekening van de intering van het vermogen ten grondslag gelegd, waarbij het bedrag voor woninginrichtingskosten is aangepast.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarbij de verlaging van de bijstand over de periode vanaf 18 juni 2013 is gehandhaafd. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat niet in geschil is dat de interingsperiode onjuist is berekend, dat ten tijde van de besteding van de letselschadeuitkering toekomstige bijstandsbehoeftige omstandigheden voorzienbaar waren, dat terecht slechts 1/3 deel van het - naar rato aan de slotuitkering toe te rekenen deel van het - smartengeld voor het in te teren bedrag buiten beschouwing is gelaten, dat voor woninginrichtingskosten in redelijkheid de norm voor zogenoemde doorstromers (60% van de NIBUD-norm) als verantwoord besteed is aangehouden, dat de vakantie in CenterParks voor € 3.200,- terecht als niet verantwoorde besteding is aangemerkt en dat terecht geen rekening is gehouden met de gestelde, niet aannemelijk gemaakte schuld van

€ 7.000,- aan familieleden.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe hebben zij, samengevat, aangevoerd dat geen grondslag bestond voor het opleggen van een maatregel omdat de bijstandbehoevendheid van appellanten niet voorzienbaar was, dat - zo al sprake was van voorzienbaarheid, enkel verantwoorde bestedingen zijn gedaan, dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de volledige kosten van woninginrichting (inclusief nieuwe keuken), dat ten onrechte de kosten van de vakantie ad € 3.200,- niet zijn meegenomen, dat de terug te betalen schulden aan familieleden ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten en dat in ieder geval 1/3 van het in de slotuitkering begrepen bedrag van € 15.000,- aan smartengeld dient te worden vrijgelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB - voor zover hier van belang - verlaagt het college de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan.

4.2.

Artikel 9 van de Maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ van de gemeente Overbetuwe 2013 (verordening) luidt:

1. Als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18 WWB (…) verlaagt het college de uitkering. (…) Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval begrepen het op een onverantwoorde wijze besteden van vermogen, inbegrepen het doen van een schenking, voorafgaand aan de bijstandsverlening. (…)

2. De maatregel bedraagt 100% van de bijstandsnorm (…) voor de duur van de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn gedragingen langer recht heeft op een uitkering.

3. Het college wijzigt de maatregel na drie maanden naar 50% van de bijstandsnorm (…) voor de resterende duur van de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedragingen langer recht heeft op een uitkering.

4.3.

Het college hanteert bij de beoordeling of het vermogen verantwoord is besteed een interingsnorm van 1,5 maal de toepasselijke bijstandsnorm. Het college heeft in dit verband de in juni 2012 aan appellanten betaalde slotuitkering van Achmea ten bedrage van € 50.000,- als vertrekpunt genomen.

Voorzienbaarheid van bijstandbehoevendheid

4.4.

Onderschreven wordt het oordeel van de rechtbank dat voor appellanten een toekomstig beroep op bijstand voorzienbaar was. Zij hadden er ten tijde van de gedane bestedingen rekening mee moeten houden dat zij mogelijk vervroegd dan wel na afloop van het tijdelijke dienstverband van appellant bij [werkgever] of kort daarna (weer) een beroep op bijstand zouden moeten doen. Vaststaat dat appellant in augustus 2012 een tijdelijk contract van een half jaar met [werkgever] heeft afgesloten. Uit de brief van [werkgever] van 30 juli 2013 komt duidelijk naar voren dat verlenging of een vaste aanstelling niet was aangewezen omdat het werk niet voldoende aansloot bij de capaciteiten en ontwikkelingsmogelijkheden van appellant. Het feit dat de loonstroken van september 2012 en februari 2013 als “datum uit dienst” 27-08-2013 onderscheidenlijk “26 augustus 2013” vermelden, maakt dit niet anders, reeds omdat op andere loonstroken op dezelfde plaats 26-02-2013 staat vermeld. Dat geldt ook voor het gegeven dat appellant pas vrij kort voor 26 februari 2013 van de zijde van [werkgever] heeft vernomen dat het tijdelijke dienstverband niet werd verlengd en dat hem ter zake geen verwijt treft.

Immateriële schadevergoeding (smartengeld)

4.5.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB worden - voor zover hier van belang - niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend: vergoedingen voor materiële en immateriële schade voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. Het college hanteert bij de toepassing van deze bepaling de vaste gedragslijn om 1/3 deel van de immateriële schadevergoeding - als smartengeld - bij de interingsberekening buiten beschouwing te laten.

4.6.

Anders dan het college en de rechtbank, ziet de Raad onvoldoende grond om het in dit geval als smartengeld uitgekeerde bedrag van € 15.000,- naar rato toe te rekenen aan enerzijds de tot juni 2012 betaalde voorschotten van in totaal € 42.000,- en anderzijds aan de in juni 2012 betaalde slotuitkering van € 50.000,-. Daarbij wordt allereerst in aanmerking genomen het e‑mailbericht van de letselschaderegelaar Zijlstra van Achmea van 30 oktober 2013, waarin deze meedeelt dat van de slotuitkering van € 50.000,- een bedrag van € 15.000,- betrekking heeft op de vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Dit vindt voorts steun in de gedingstukken, waaruit naar voren komt dat Achmea is overgegaan tot het verstrekken van voorschotten in aanvulling op de toenmalige inkomsten van appellant uit of in verband met arbeid. Ook ter zitting van de Raad heeft appellant desgevraagd bevestigd dat de eerder verstrekte voorschotten steeds zijn verleend nadat zijn advocaat daarom ter aanvulling op het reguliere inkomen had gevraagd. Overigens heeft het college niet met objectieve gegevens onderbouwd dat de verstrekte voorschotten aan appellant niet alleen op inkomensderving maar ook deels op smartengeld zouden zien. Dat het college in dit geval in afwijking van zijn vaste gedragslijn meer dan 1/3 deel van € 15.000,- zou dienen vrij te laten, is van de zijde van appellanten onvoldoende onderbouwd.

Woninginrichtingskosten

4.7.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het college ten aanzien van de post woninginrichtingskosten bij de interingsberekening in redelijkheid heeft kunnen volstaan met het meenemen van een bedrag van € 5.455,80 als verantwoorde besteding. Dit bedrag stemt overeen met 60% van de NIBUD-norm voor een volledige woninginrichting voor gehuwden. Daarbij is terecht in aanmerking genomen dat appellanten als doorstromers, dat wil zeggen als verhuizend van de ene zelfstandige woonruimte naar de andere, kunnen worden gezien.

Vakantiekosten

4.8.

Appellanten hebben betoogd dat zij na zeven jaar ellende - het auto-ongeval en de daaruit voortvloeiende gevolgen in ruime zin - aan een vakantie toe waren. De slotuitkering bood daartoe eindelijk eens ruimte. Het college stelt zich op het standpunt dat kosten van vakantie tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren die uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan. Bij de intering is bovendien rekening gehouden met 1,5 maal de bijstandsnorm. De gemaakte kosten van € 3.200,- kunnen daarom volgens het college niet als verantwoord bestede kosten worden meegenomen.

4.9.

De Raad is van oordeel dat het in de gegeven omstandigheden te ver gaat om de betreffende kosten geheel buiten beschouwing te laten. Anderzijds is een zekere beperking aangewezen, nu de kosten ook uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord moeten zijn en het college een zekere beoordelingsvrijheid toekomt. Anders dan het college en de rechtbank, ziet de Raad in de bijzondere omstandigheden van dit specifieke geval aanleiding om een deel van de gestelde vakantiekosten van € 3.200,- als extra en verantwoord bestede kosten in aanmerking te nemen. Daarbij acht de Raad het redelijk aansluiting te zoeken bij het bedrag dat overeenkomt met de vakantietoeslag voor bijstandsgerechtigden die bijstand ontvangen naar de gehuwdennorm. Gelet op het bepaalde in artikel 21, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 19, derde lid, van de WWB, komt dit overeen met een bedrag van

€ 802,12 (= 12 x € 1.336,87 x 5%).

Schulden familieleden

4.10.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het college, met de niet aannemelijk gemaakte schulden van € 7.000,- en de gestelde terugbetaling daarvan, bij het vaststellen van het verantwoord ingeteerde bedrag in redelijkheid geen rekening heeft hoeven te houden. De enkele ongedateerde en niet ondertekende verklaringen, dat de betreffende bedragen in juli en augustus 2012 zijn terugbetaald, zijn in dat verband onvoldoende.

Hardheidsclausule

4.11.

Appellanten hebben tot slot nog betoogd dat toepassing van artikel 9 van de verordening in dit geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 11 van de verordening. Zij hebben er in dat verband op gewezen dat zij steeds openheid van zaken hebben gegeven en te goeder trouw hebben gehandeld. Daarin is echter geen grond gelegen voor het oordeel dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de in artikel 11 van de verordening neergelegde bevoegdheid tot afwijking of buiten toepassing laten van het bepaalde in artikel 9 van de verordening. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening, dat het college bij de interingsberekening - ten gunste van appellanten - is uitgegaan van 1,5 maal de toepasselijke bijstandsnorm en dat de duur van de maatregel uiteindelijk (zie ook hierna) aanzienlijk in tijd is beperkt.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep voor zover dat ziet op de onderdelen smartengeld en vakantie slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de verlaging van de bijstand met 100% kan worden gehandhaafd over de periode van 18 maart 2013 tot en met 17 juni 2013.

5.1.

Aangezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven, zal de Raad in het kader van een definitieve beslechting van het geschil beoordelen of zelf in de zaak kan worden voorzien. Daarbij zal de eerder in bezwaar en later in beroep bijgestelde interingsberekening, zoals neergelegd in het verweerschrift in hoger beroep (wat betreft de niet betwiste onderdelen) als uitgangspunt worden genomen.

5.2.

Dit leidt met inachtneming van wat in 4.3 tot en met 5.1 is overwogen tot de navolgende interingsberekening:

Verantwoorde intering:

kosten levensonderhoud € 8.592,89

lening Arenda BV € 7.823,43

lening ING € 7.168,08

schoolkosten dochter € 200,-

huurkosten € 639,57

woninginrichting € 5.455,80

vrijlating smartengeld € 5.000,-

vakantie € 802,12 (+) € 35.681,89

Slotuitkering € 50.000,-

vermogensgrens (vrij te laten vermogen) € 11.590,- (-/-)

verantwoorde intering € 35.681,89 (-/-)

Surplus € 2.728,11

5.3.

Het surplus gedeeld door 1,5 maal de toepasselijke bijstandsnorm voor gehuwden resulteert in een periode van 1,4 maanden (€ 2.728,11: € 1.982,94). Dit betekent dat het college, met inachtneming van artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 9 van de verordening, gehouden was de bijstand van appellanten over die periode te verlagen met 100%. De Raad zal derhalve zelf voorziend bepalen dat de verlaging van 100% wordt beperkt tot de periode van 18 maart 2013 tot en met 29 april 2013.

6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- wegens verleende rechtsbijstand en op € 24,40 voor gemaakte reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de verlaging van de bijstand tot

18 juni 2013 onverkort is gehandhaafd;

- bepaalt dat de verlaging van de bijstand met 100% beperkt blijft tot de periode van 18 maart

2013 tot en met 29 april 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van

het vernietigde besluit van 4 oktober 2013;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten in hoger beroep tot een bedrag

van € 1.004,40;

- bepaalt dat het college het door appellanten in hoger beroep betaalde griffierecht van €122,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

HD